R |
E |
I |
S |
G |
I |
D |
S |
|||||||
|
Twente als reisdoel vormt het onderwerp van de reisgids. Reisverhalen in Twente door de eeuwen heen in combinatie met kaarten en beeldmateriaal van de beschreven tochten, huidige toeristische routes, en een hedendaagse reisbeschrijving door Twente worden in de reisgids samengebracht. De reisverhalen brengen de veranderingen in Twente en in de waarneming en waardering van Twente door buitenstaanders aan de oppervlakte. bron afbeeldingen: Van Deinse Instituut
OPEN PLEKKEN Een literaire verkenning van de Proeftuin Twente
1. Van Hengelo naar Enschede Daar sta je dan,- op een van de meest verstilde plekken in Twente: de Gobelinzaal van het Rijksmuseum Twenthe in Enschede. Een pleisterplaats waar je, zoals Willem Brakman in zijn roman De oorveeg (1984) heeft geschreven, 'een museale stilte van grote en stimulerende kracht' kunt ervaren. Precies datgene waar je behoefte aan had. Je wilde eens rustig nadenken. Over de zoveelste queeste naar het Twentse land der letteren waartoe je was aangezet. Ten einde je in alle rust te beraden over een literaire verkenning van de Proeftuin Twente, had je, om te beginnen, gehoor gegeven aan een uitnodiging die de dichter H.H. ter Balkt had gedaan in 'De stilte', een van zijn sonnetten in de majestueuze bundel Laaglandse hymnen (2003): 'Zeg dan / waar de stilte is'.
Voordat
je deze museumzaal binnen wandelde, was je in de Kasbah aan de rand
van Hengelo op de fiets gestapt. In deze wijk van 128 experimentele
woningen op kolommen heeft de visionaire architect Piet Blom zijn
ideeën omtrent het 'wonen als stedelijk dak' geprobeerd te verwezenlijken.
Zowel qua architectuur als qua mentaliteit van de bevolking zou je
de Kasbah min of meer als een dependance van de Campus van de Universiteit
Twente kunnen beschouwen. Het
landschap waarin ik nu al vele jaren vertoef is dan ook puur toevallig,
en in de figuur die destijds mijn sollicitatiebrief uitkoos kan ik
met de beste wil geen kosmische macht of kracht herkennen, noch in
de overschakeling van de kust naar het oosten een cesuur of dramatische
wending. Via
de Bosweg fietsend, was je maar niet losgekomen van het door Brakman
zo plastisch beschreven landschap. Je besefte dat je eigenlijk iets
aan het doen was waarvoor diezelfde schrijver een onvergetelijke omschrijving
heeft bedacht, ongetwijfeld tijdens een van zijn fietstochtjes: denkfietsen. Waar
te beginnen? Ieder begin is wel goed, want zelfs als zuigelaar, hurkend
knaapje met knikkers, of als bebrild scholier voortschuifelend langs
de huizen, altijd was ik wel met feilloze precisie op weg naar het
punt waar ik nu zit te schrijven. Zoals
Pouderooyen, het hoofdpersonage van Brakmans zevende roman, stond
te wachten bij de overdekte dagmarkt van De Klanderij - een troosteloos
winkelcentrum dat de architect Pi de Bruin enkele jaren geleden liet
omtoveren tot een heus 'shopping center' - zo had jij ook wel eens
rondgezworven in de buurt van dat vreselijke tochtgat, zij het diep
in de nacht, op zoek naar de zolderkamer van een vage geliefde. Ondersteboven van een boek, wanneer was ik dat? Die vraag doet me schrikken, want ogenblikkelijk stelt men zich toch zoiets voor als een betraand oog, een van ontroering bibberende wang, een onthutst de stukken weer bij elkaar zoeken, en ook is er de wat angstige bijgedachte dat men bij het ontbreken van dergelijke reacties een lezersleven tekort is geschoten. Vervolgens
week Brakman in zijn lezing over de grote gevoelens bij de literatuur
naar zijn jeugd uit, naar De Scheepsjongens van Bontekoe en
Fulco de Minstreel, en uiteindelijk kwam bij het werk van R.M. Rilke en
Thomas Mann terecht. Onder de titel 'De grote schok was Rilke' werd
Brakmans lezing nadien in De Revisor
afgedrukt en jaren later in de essaybundel De jojo van de
lezer (1985) opgenomen. Ga
nu maar liggen liefste in de tuin, Een glashelder maar tegelijkertijd uiterst paradoxaal gedicht over het paradise lost-idee of, zoals Kopland het zelf ooit formuleerde in een gesprek met Van Deel, opgenomen in de bundel Bij het schrijven (1979): 'Zodra je op een plek bent is hij natuurlijk niet meer leeg: je kunt nergens zijn zonder er te zijn. Je kunt op een plaats zijn en blijven, maar die plek wordt pas dan weer leeg als je passeert'. Een gedachte die de dichter Van Deel herhaaldelijk heeft geprobeerd te vangen. Daarenboven heeft hij enkele onvergetelijke versregels gewijd aan de vraag hoe een plek, om wat voor reden ook, te benaderen: Het
is zo verborgen, te zien alleen Dit gedicht veranderde daarom jouw zicht op de werkelijkheid, omdat het alle vormen van exploratief menselijk gedrag onder één noemer wist te brengen,- kunst, literatuur en wetenschap. Het is eigenlijk allemaal hetzelfde. Een constatering die nog eens wordt onderstreept door de laatste stelling bij het proefschrift van Koplands alter ego, de in Goor geboren psychiater R.H. van den Hoofdakker: 'Er is geen wezenlijk verschil tussen wetenschappelijk onderzoek en het onderzoek dat wordt verricht door de dichter bij het maken van een gedicht'. Het gedicht 'Verborgen' van Van Deel, opgenomen in de bundel Achter de waterval (1986), bleek uiteindelijk precies de sleutel te zijn voor het deurtje in de menselijke geest dat je tot dan toe niet had kunnen openen: de 'interface' tussen de kamer van de dichtkunst en die van de wetenschap. De deur die Schierbeek in zijn gelijknamige bundel had verdicht: een
deur is open een
deur die open is een
deur die dicht is als
ie beweegt zo
ben ik Toen je de sleutel voor jouw deur eenmaal had ontdekt, kon je met enige moeite ook je totaal verzande studie weer vlottrekken. Zo
was je verder gefietst over de Campus, de plekken achter je latend
die zich als vanzelf hadden gevuld met herinneringen. Je volgde een
uitloper van het Abraham Ledeboerpark, in de nabijheid waarvan de
dichter Dalenoord zijn jeugd had doorgebracht: 'Niets isoleerde beter
van de rauwe straten / dan een urendiep park. Maar wie toch was /
de mijmeraar die zoveel eenden in de plas / en kwikstaarts nodig had
om mee te praten?' Je had het destijds niet kunnen laten, daags erna had je er iets over moeten schrijven,- zoals altijd een dizain of dizijn onder de titel 'Zaterdag de dertiende' dat je je nu, vier jaar na dato, plotseling herinnerde, zij het niet zonder schroom: Rampspoed
steekt gemeenplaatsen aan: een zomerse De
lucht was zo stralend blauw, maar in de verte vuurwerk
dat veel te vroeg ontplofte en een daverende waar
dolle honden liepen te janken tegen de hemel welke
treurzang, een paar verzachtende clichés niettemin Maar je was bepaald niet de enige. In de dagen na 'Zaterdag de dertiende' ontstond spontaan, vlakbij het rampgebied, een bloemenmonument op het grasveld aan de Deurningerstraat, hoek Raiffeisenstraat.. Behalve bloemen en knuffeldieren werd in deze bloemenzee een groot aantal kaartjes, brieven, gedichten en tekeningen neergelegd. Uit al deze blijken van medeleven hebben Marike Fraterman en dichter-uitgever Goaitsen van der Vliet een selectie gemaakt en gebundeld onder de titel Berichten uit de bloemenzee. Een van de meest schrijnende teksten, neergelegd in de bloemenzee, bevatte een krastekening van een rookwolk en was ondertekend met Claudia: Toen
eerst dacht ik, in de kamer, dat er een vliegtuig door de wolken ging,
en dat je dat hoort. Toen dacht ik: onweer, gek, om de zon. Toen dacht
Paul dat het vuurwerk was, en toen vond ik het zo raar door elkaar,
en' kijk, en rook, en vuurpijlen. Toen kwam er een knal en ik viel
met een duw tegen mijn hoofd, en kijk, baf, ik val op de grond en
glas knapt stuk. Ik kan niks terugzien. Ik ben zo bang dat ik alleen.
En de wolk vreet en eet op. Het is zo erg zielig, dat toen ik verder
rende - een meisje met bloed huilt en ze kijkt bang en ze roept en
ik beweeg me niet. Dit leg ik bij de bloemen, omdat ik steeds naar de plek wil, en naar alles terug, en denken de mensen, iedereen, heel lang aan dit en de ogen en vuur en dat je stikt en ook dood gaat. Na je fiets tegen een muur van het Rijksmuseum Twenthe te hebben geplaatst en op slot gezet, was je spoorslags in de afdeling 'Oude kunst' verdwenen, in de voetsporen van Vliegen, de verteller van Brakmans roman De oorveeg: 'langs de bijbelse zaken ('), ook langs de pietà's en de kruisigingen ('), aan de Hollandse ijspret ging ik eveneens voorbij, ook aan de sneeuwlandschappen en de stillevens, langs de avonden over veld en plas, langs biddende vrouwen met knobbelhanden, langs windmolens en melkende deernen, breiende dochters en starende vissersvrouwen aan het strand'. Uiteindelijk kwam je bij een olieverfschilderij uit dat Vincent van Gogh had geschilderd toen hij was opgenomen in het gesticht in Saint-Rémy: Portret van een man met één oog (1888). Toevallig het linkeroog. Je had in het voorbijgaan nog even naar Collega Eenoog geknipoogd. Vervolgens was je aangeland op je eerste tussenstop van je queeste naar het Twentse land der letteren. 2. Enschede (1) Geen mooiere beschrijving van de Gobelinzaal dan die van Brakman in het al eerder genoemde essay 'Schrijven in Overijssel'. Dit is overigens niet alleen opgenomen in Het land der letteren, maar bij voorbeeld ook in Het onlieflijke stadje E. (1999), een door Gerrit-Jan Kleinrensink samengestelde bloemlezing uit het werk van Brakman over Enschede: Vroeger was het museum gegarandeerd hol en stil, en ik beluisterde er de eigen voetstap terwijl ik neerzag op ondoorgrondelijk bot, steen en brons. Een zeer tijddoordrenkt beleven, dat zijn subtiel hoogtepunt vond in de gobelinzaal, een zaal door zijn wandbekleding en zijn centrale ligging absoluut stil. In die zaal staan een houten bank en een monument van een Haagse klok. Daar zit ik nog wel eens als de nood hoog is en luister, luister hoe langzaam door het wennen van het oor, de tik duidelijker en duidelijker wordt. Tenslotte komt hij dan voorbij in al zijn statie, de absoluut zuivere seconde. Bewaart men te Parijs de platina meter, Enschede heeft de tijd, de platina seconde.
Staande
in het midden van de Gobelinzaal valt je onmiddellijk op dat deze
museale omgeving niet meer dezelfde is sinds Brakman haar meer dan
twintig jaar geleden vereeuwigde. Zo heeft de beschreven Haagse klok
gezelschap gekregen van twee andere staande horloges. Bij nadere beschouwing
blijkt dat de tijd achter de diverse wijzerplaten is weggeslopen,
steeds op een verschillend tijdstip. Jammer dat je niet meer kunt
ervaren, of - volgens een ontdekking van Christiaan Huygens - ook
deze klokken na verloop van tijd exact gelijk waren gaan tikken. Nu
staan ze met veel grandeur stil, zij het niet op het esthetische tijdstip
van 10 over 10. Zo wordt de stilte in de Gobelinzaal niet alleen hoorbaar
en voelbaar, maar ook nog eens zichtbaar. Overigens is dit alles niet
meer gewaar te worden op een houten bank. Rondlopend
in de Gobelinzaal probeer je de essentie van waar je bent beland iets
preciezer te omcirkelen. Je beschouwt deze ruimte als een van de stilste
plekken in Twente, maar is ze eigenlijk wel een plek? De dichter-essayist
Martin Reints wijdt in aflevering 106 van het literair tijdschrift
in boekvorm Raster onder de
korte maar krachtige titel 'Hè?' enige gedachten aan dat begrip.
Volgens Reints is een plek iets anders dan een plaats: 'Het woord
''plek'' duidt op geografische bepaaldheid. Sterker nog, een plek
is iets waar een bepaalde gebeurtenis plaats heeft gehad. Voordat
er iets gebeurde was die plek gewoon een plaats. Een plek is te vereenzelvigen
met een datum: 'Je herinnert je de plek waar je een mes op de keel
kreeg, waar je je eerste tongzoen beleefde, waar je met je fiets over
de kop ging, en je leert de plekken kennen waar iemand anders is doodgeslagen,
waar iemand een beroemde gedicht heeft gesitueerd, waar de restanten
van het Lam Gods hangen, waar ooit je ouders zijn geboren'.
Een
bietenveld is een bietenveld is een bietenveld De
motregen is de motregen en niets dan de motregen En
Troje voor de Trojanen Maar niet in Troje De
spookrijders zijn vaak anderen dan de spookrijders En
de ster Venus is de ster Venus en niets dan de ster Venus En
beteugel ons, elektronen En beteugel ons In tegenstelling tot de 'Ode aan de betekenis' zijn veel van de gedichten van Ter Balkt plekken in die zin dat ze een dichterlijke reflectie op een duidelijke gebeurtenis inhouden. Dit geldt in het bijzonder voor de Laaglandse hymnen, een veelstemmige verzameling sonnetten waarin hij de vaderlandse geschiedenis vanaf de steentijd tot aan de eenentwintigste eeuw bezingt. En als een gedicht van Ter Balkt al geen plek is, dan krijgt het die status als vanzelf wanneer je het leest. Als je het laatste woord hebt bereikt, is het gedicht al een herinnering geworden,- een avontuur, zeker als het blijft hangen. Dit wil evenwel niet zeggen dat de afdruk in woorden waartoe de dichter zichzelf heeft gebracht, overeen hoeft te komen met het spoor dat de lezer meent te herkennen. In weerwil van Koplands eigen interpretatie van het al eerder geciteerde 'titelgedicht' van zijn bundel Een lege plek om te blijven kan je het ook poëticaal interpreteren: als een gedicht dat wordt gelezen. Elk geslaagd gedicht blijft dus altijd een open plek, maar het maakt tegelijk herinneringen en stemmingen bij je los, en misschien ook wel interpretaties. De discrepantie tussen enerzijds een plek en anderzijds de doorwerking daarvan heeft de van oorsprong Roemeense schrijfster Herta Müller aan de orde gesteld in een voordracht gehouden op het symposium 'Nationale Literaturen heute - ein Phanthom' in de zomer van 2003 in Zürich: 'Waar gaat het hoofd en waarheen gaan de voeten - daarbij zijn minstens twee verschillende plekken in het spel, waarschijnlijk meer dan twee'. Hoe kom je, staande in de Gobelinzaal, tot een literaire rondreis in de Proeftuin Twente? Eigenlijk is die queeste naar het Twentse land der letteren al begonnen. Tijdens jouw fietstocht van de Kasbah naar de Gobelinzaal brachten allerlei plekken de meest uiteenlopende herinneringen aan literaire fragmenten bij jou naar boven. Dit wil overigens niet zeggen dat je onmiddellijk weer aan dezelfde gedichten en stukken proza wordt herinnerd, als je die tocht nog eens zou maken. Elke fietstocht brengt toevallige invallen teweeg, maar wat moet de argeloze lezer die de literaire trip van de Kasbah naar de Gobelinzaal zou willen navolgen, met jouw particuliere herinneringen?
3 Enschede (2)
Weggegaan uit de Gobelinzaal besluit je je fiets naar het station te brengen, maar niet nadat je een kopje koffie en een glas water in Café Het Bolwerk hebt gedronken. Vroeger mocht je jezelf tot de stamgasten van dit proeflokaal rekenen, maar die tijd heb je ver achter je gelaten. Op een goede dag kreeg je behoefte aan wat de Duitsers zo treffend 'Tapetenwechsel' noemen. Verandering van decor. Nadat Willem Wilmink in 1991 naar Enschede repatrieerde en een pand in de Javastraat betrok op een steenworp afstand van zijn geboortehuis, werd hij al snel de bekendste stamgast van Het Bolwerk. Meer dan eens heeft hij een gedicht aan dit etablissement gewijd, zoals een aangrijpend afscheid van 'Een stamgast van Het Bolwerk' en een strofe van zijn 'vertaling' van Carl Orffs keuze uit de middeleeuwse liederenbundel Carmina Burana: In
Het Bolwerk bij de Markt Een verblijf aan de stamtafel van Het Bolwerk leidt er onverbiddelijk toe: 'je moet een keer gaan staan'. Als je bij het urinoir verwijlt, dringt zich, zoals zo vaak op deze plek, het onvergetelijke gedicht 'Sans rancune' van Goaitsen van der Vliet aan je op: Doo'k
in mien stamkafee Miegn kon e nich. Ikke wa.
Opgewekt
stap je op de eerste de beste trein. Het maakt niet zo veel uit welke,
want alle treinen vanuit Enschede in westelijke richting rijden naar
Almelo, de volgende tussenstop van je queeste. Dat was overigens ook
al het geval toen de Twentse droogkomiek Herman Finkers die stad nog
niet op de kaart had gezet. Eanske
is onmeunig mooi, Je
bent op weg naar een volgende plek waar 'een museale stilte van grote
en inspirerende kracht' heerst. Daar zul je jouw queeste van het Twentse
land der letteren vervolgen. Het heeft, wat jou betreft, weinig zin
om nog een reisgids voor Twente toe te voegen aan de literaire wandelingen
die al zijn uitgezet in het kader van de reeks 'Kom op verhaal in
Overijssel'. Liever onderneem je iets wat je nog nooit hebt gedaan.
Ondanks alle literair-geografische essays die je hebt geschreven over
schrijvers in Overijssel, onder meer gebundeld in Terug naar De
Brug (1995), Oorlog op Pathmos (1998) en Sprong over de IJssel (1997), heb je nooit precies willen aangeven welke
teksten over welke plekken in Twente een onuitwisbare indruk op jou
hebben gemaakt. Altijd stond de inventarisatie voorop, nooit jouw
persoonlijke smaak. Dat moest maar eens anders. Daarom heb je besloten
om deze zoveelste queeste van het Twentse land der letteren een geheel
eigen invulling te geven. Je werkelijkheid is 't enige dat je hebt! Dus ik kwam uit het bos en de winter; uit het Mastbos van waaruit ik het einde van de oorlog zag naderen, einde en overwinning, uitgebeeld in een Canadese of Amerikaans tank, met een rode ster gesierd en voortrollend over de landweg. Of een steenweg uitreed over een steenweg, zo ratelden de banden. Misschien was die tank verdwaald of gedeserteerd, want waarom was die groene tank anders zo alleen'. Vrijwel parallel aan het kronkelende beekje (de rode uit een neergestort vliegtuig afkomstige munitiekist lag in een ander beekje, twee bossen verder) dat later vreemd blauw en geurend slib kreeg, kronkelde de stenen landweg met die Don Quichote-achtige tank erop die ik, staande tussen de varens zag. Verderop groeide de beuk waarin één jaar later mijn naam geschreven werd. Dichterbij lag de offerplaats van de vossen: een boomstomp waaraan veren kleefden. Aan een dichtgegroeid en door varens overwoekerd karrenspoor stond de duistere takkenbosmijt, daar liep eens dood op zijn gemak, of hij verdwaald was, een donker wijdbeens gaand dier, een brede witte streep over zijn snuit, of hij onderweg was van het ene sprookje naar het andere. In de stad was het toen al jarenlang winter. En nee, de door mensenhand in het Mastbos gegraven vijver was pas veel later in dat bos ontstaan. Salomonszegel en lelietjes van dalen bij een donkere holle weg. Twee jaar later zag ik pas echt hoe geveerd de varens waren, hoe sierlijk ze hun kromstaf bij zich droegen. Nog weer een jaar later schoot Haverkamp de jachtopziener daar het altijd vrolijke hondje Sjekkie dood. Zijn graf ligt bij de ook al verdwenen havermijt. Dit is de tijd van verdwijning. Recht waren de dennen. Eén jaar daarvoor had de voodoo van de tijdgeest ze gekromd. De sparren namen de schutkleur van prikkeldraad aan, dennentakken hingen rafelig neer als de vlerken van door het spook van Haverkamp neergeschoten roofvogels en duiven. Er scheen een oog door de wolken, dat was de zon. Het was daar dat ik ooit mijn eerste dichtregels bedacht, niet de oorlogsverklaring aan de krombuigers, aan de toekomstige Uri Gellers. Het is nu laat, het werd 1992 en 1993. Weggerotte slagbomen, de vijver blind van blad en takken. Ver weg ratelt snelverkeer, het nakroost van die sombere tank die blijde tijding bracht. En Brakman schreef een 'Zelfportret als Pathmos' onder de titel 'Herinnering aan Duindorp' waarin hij onthult dat zelfs sommige plekken in 'het onlieflijke stadje E.' kunnen fungeren als het decor voor zijn jeugdervaringen in Scheveningen: Als ik van Boekelo op de fiets naar Enschede ga, kies ik mijn weg altijd door de wijk Pathmos. Op dagen dat ik om uiteenlopende redenen wat ingekeerder ben dan anders en wanneer het stoffig is en zonnig en het juiste uur van de dag (liefst tussen de middag), dan, maar lang niet altijd, fiets ik daar ter plaatse door Scheveningen. De gelijkenis met het Duindorp van mijn kindheid is maar vaag: dezelfde bevolkingsdichtheid, onachterhaalbare geluiden vanachter muurtjes, ongeveer de zelfde kleur van de muren (bruinrood met een heel ijle, paarse achtergrond), maar de huizen zijn anders, wel dorps maar toch anders. De ware gelijkenis ligt in de details, zo zijn de hoeken van enkele straatjes als die in Scheveningen, van die steentjes welke weten dat je er bent, mild, heimelijk en onafgebroken, zoals ook sneeuwvlokken maar wervelen en onophoudelijk kunnen omvatten. Dan ga ik de wijk in, wel met vertrouwen, maar toch op sombere wijze, want dan kan er meer. Ik voel hoe Pathmos verder en verder lokt; met poorten, stoepranden, putdeksels, hekken en afval op straat dat mij bekend voorkomt en zelfs ontroert. Verglijdende fragmenten van binnenplaatsjes vol schaduw doen de rest. In Scheveningen waren de straten vol avontuur van op school voorgelezen boeken en ook van enkele uit de bibliotheek, ik kon precies aangeven waar het kasteel stond van de Heer van IJsselstein, onzichtbaar voor allen, maar hoog en onwankelbaar voor mij. Ook de plaats waar de kasteelheer Faulkner was weggereden, had ik met krijt kunnen omlijnen en ook waar Julien had gestaan, het geweer nog aan de voet. Hij stond precies in het vlak van de illustratie in Door de Russische sneeuwvelden, nog een stap verder en hij was er uit gevallen. Ik zeg dit maar om de velen die mij destijds vroegen waarom ik op die plaats steeds mijn hand uitstak. Dat mis ik in Pathmos, in Scheveningen ademde ik de lucht in van de verhalen, maar dit missen is al veel en toch ook een overeenkomst. Hier ben ik minder verstrikt in de boeken, beweeg mij niet tussen de wervel van de letters, de tafel is als het ware iets te hoog en de hand ligt niet makkelijk op het blad. Maar de onderdelen zijn wel zorgvuldig naar Pathmos overgebracht, steeds weer ben ik getroffen om wat zij allemaal te vertellen hebben. Fiets ik weg door de laatste poort, dan ben ik als met sneeuw overdekt. Deze beide teksten van Ter Balkt en Brakman beschouw je als de mooiste over een plek in de gemeente Enschede geschreven. Zou je ook gedichten en andere literaire teksten kunnen vinden voor plekken in de overige dertien Twentse gemeenten die daarmee kunnen wedijveren? Met deze vraag in je achterhoofd zie je vanuit het raam van de zich langzaam versnellende trein de laatste resten van Enschede verdwijnen. Zoals je voor je voorgenomen queeste zou kunnen putten uit het rijke oeuvre van Ter Balkt, is er, naast Het onlieflijke stadje E., ook een bloemlezing denkbaar met teksten van Brakman over Twente. Daarbij zouden zijn novelle De reis van de douanier naar Bentheim (1983) en zijn roman De afwijzing (2004), twee hoogtepunten in een nog immer uitdijend oeuvre, als leidraad kunnen dienen. Hopelijk eindigt jouw rondreis niet zoals Brakmans novelle begint: 'Kort geleden ben ik om redenen die hier niet ter zake doen uit een stadje gemieterd waarvan ik de naam maar niet zal noemen.' 4. Almelo Evenals
de heer Van Kol en de douanier, twee personages uit Brakmans novelle
De reis van de douanier naar Bentheim, kom je een klein half uurtje nadat je in de trein
was gestapt, in een 'vervloekt onaangenaam' Almelo's perronwindje
terecht: 'Buiten lag het stationsplein veelbelovend voor hen: een
pinkelend verkeerslicht in het midden, de overkant in paarse schaduwen
en van hoog tot laag namen in allerlei vrolijke kleuren: Sporthuis,
Bank, Modecentrum, Het Textielpaleis, maar ook het koffiehuis ''De
Koperen Smorre'''. De
Loo-Lee moet een water zijn, al lijkt zij niet op water. Het water stroomt, dus is de Loo-Lee
een rivier. Maar alle water dat stroomt is geen rivier en in elke
rivier stroomt geen water.
Na enkele minuten bij de Loo-Lee te hebben stilgestaan, wandel je naar de Openbare Bibliotheek. Dit spectaculair ogende gebouw dat zelfs op het omslag van het Jaarboek Architectuur 1995 prijkt, is ontworpen door het architectenbureau Mecanoo uit Delft. Vlak voordat je in de ruime draaideur van de bibliotheek verdwijnt om in de koele stilte de twaalf overige literaire fragmenten bijeen te zoeken, zie je 'een opvallend mooie auto' voorbijrijden, 'wat hoekig en ouderwets, pas gepoetst en fonkelend in de zon'. Achter het stuur: een roodharige chauffeur, met de vingers opgewekt één of andere dreun meetrommelend. Naast hem: de douanier. Achterin: de leraar. 5. Borne Zojuist nog ben je dit dorpje in sneltreinvaart gepasseerd. Toen het blauwe bord met 'Station Borne' voorbij schoot, dacht je aan de roman Met koele obsessie (1979) van Oscar de Wit, een voormalige onderwijspsycholoog die in de tweede helft van de jaren zestig furore maakte in Enschede. In dit eerste deel van wat ooit een autobiografische trilogie moet worden, kijkt hij niet alleen terug op zijn 'tropenjaren' in Twente, maar hij beschrijft ook hoe hij er nadien soms nog verpoosde: De laatste keer dat ik in Borne uitstapte was het herfst geweest. De bossen waren geel en rood gevlamd. Ik had zitten lezen in De boeken der kleine zielen. Toen de trein stopte zag ik een keurig oud dametje, keurig is het woord niet, een verfijnd en gedistingeerd dametje uit de wachtkamer, die verder niemand betreedt, op het perron stappen. Het was zo'n vloeiende overgang van droom naar werkelijkheid, dat ik heel eventjes in de waan kon verkeren de oude mama Van Löwe te hebben gezien.
6. Hengelo Ergens 'in het toendra-achtige gebied tussen de IJssel en de Oeral', op een willekeurige plek, zich nauwelijks onderscheidend van zijn omgeving, 'rondom de samenvloeiing van vier stille beken', is Hengelo ooit gesticht. Aan deze plek - 'hoe je het verder ook wilt noemen: een stad, een dorp, een conglomeraat van lelijke straten' - heeft de romancier en essayist Kees Verheul de episodische novelle Een vierkant in de toendra (1993) gewijd, later heruitgegeven onder de titel Stille knieval (1998). Een van haar illustere inwoners ' en een personage in Verheuls novelle - was de oogarts-schrijver Han van Grevelingen: Telkens
als de schrijver opkeek van zijn papier zag hij achter de struiken
in zijn tuin de spoordijk. Soms leek het of de trein naar Oldenzaal
om de vijf minuten langs de bovenrand van zijn blikveld reed. Dan
was de schrijver geïnspireerd. Maar vandaag bleef de spoorbaan
bijna continu leeg. Een helling vol keien met aan de voet ervan een
border vol kaal glimmend hout. Starend naar de takken en de regen
merkte de schrijver dat hij zat te wachten, wie weet hoe lang al.
Wanneer kwam de volgende lawaaigolf, de volgende explosie van door
de wind neergeslagen stoom? Pas als dat onding was weggedenderd had
hij een kans dat zijn vulpen, gerustgesteld, weer een zinnetje zou
produceren.
7. Haaksbergen Tot jouw verbazing worden Haaksbergen noch het door essayist Guus Middag zo fraai beschreven buurtspoorlijntje aldaar genoemd in Querido's letterkundige reisgids van Nederland: 'Ooit was dit dorp per spoor verbonden geweest met de grote wereld: met de verre Achterhoek, Zutphen, Parijs, Rome aan de ene kant, en met Boekelo, Enschede, Berlijn, Moskou aan de andere'. Tegenwoordig is het buurtspoorlijntje nog slechts op zon- en feestdagen in gebruik. Dat is één van de manieren om 'de zee op de heide' te bereiken, een fraaie metafoor waarvan Middag de herkomst beschrijft in zijn kinderboek Ik maak nooit iets mee en andere avonturen (1995): Ik
maak nooit iets mee. Maar vroeger wel. Want toen woonde ik in een
dorp ergens in het binnenland. Het was aan de noordkant omgeven door
essen met akkers, aan de oostkant door veen en moerassen, in het zuiden
door hei en bos en in het westen door weiland met houtwallen. Toch
was er een straat die Zeedijk heette. Wat een zee was wist ik en wat
een dijk was hadden ze me ook al uitgelegd, maar wat moest die platte
straat met die rare naam daar midden in het dorp? Niemand wist het.
8. Hof van Twente De naam van dit dorpje contrasteert nogal met de sfeer die de Hof van Twente uitstraalt: Goor, de geboorteplaats van Rutger Kopland. Onder de titel 'De Wheeme' schreef de dichter ooit een prozatekst over die 'dierbare plek, niet in Goor, maar in mijn hoofd': 'Jaren later ben ik er weer geweest. Ik was een jaar of veertig, schat ik. Het huis stond er nog, maar voor mijn gevoel was alles er omheen verwoest. Weg geplaveid, berm betegeld, boomgaarden gerooid, moestuinen verdwenen, arbeiderswoninkjes gesloopt, schuurtjes achter in de tuin in elkaar geslagen en verbrand, kippen en konijnen vermoord, linden omgehakt. Onze wereld wordt bewoond door vijanden van die wereld. Ik wil nooit meer naar Goor'. Toch is Kopland nog eens naar die plek teruggegaan, niet in werkelijkheid, maar in zijn hoofd. Dit gedicht onder de titel 'Mijn geboortegrond Twente', opgenomen in de bundel Over het verlangen naar een sigaret (2001), getuigt ervan: Ik
weet niet of ze er iets toe doen Zo
kwam ik bijvoorbeeld ergens ter wereld als
je denkt aan dat oneindige aantal die toevallige man en die toevallige vrouw. Zij
hebben mij verteld wie ik was Mijn
herkomst is te raadselachtig Ik
lees in het bijbelboek Psalmen Er moet een toevallige god zijn.
9. Rijssen / Holten 'Behalve Adam Langenberg heeft iemand van betekenis in Rijssen niet gewoond en dat is ook goed, want die stichten maar verwarring, zulken brengen de rustige kringloop van 't leven in gevaar'. Deze zin is gelogenstraft door de schrijver ervan: Belcampo, nom de plume van 'levenswandelaar' Herman Pieter Schönfeld Wichers. Vier jaar na zijn geboorte anno 1902 in Naarden kwam hij naar Rijssen waar hij opgroeide in een pand aan de Grotestraat, naast het huis met de trapgevel van 1664. In dit stadje is Het grote gebeuren (zelfstandige uitgave, 1959) gesitueerd, Belcampo's beroemdste verhaal waarover je, zoals je aan den lijve hebt ervaren, in Rijssen nog altijd beter maar kunt zwijgen. Een fragment: In
een mens is iets van de boemerang. Koen en duizelend stort hij zich
in 't leven voor- en opwaarts maar altijd komt op grote hoogte het
terugzien op zijn eigen baan en oorsprong en eenmaal is er 't punt
waarop 't verlangen naar terugkeer de overhand krijgt op drang naar
groter verte.
10. Hellendoorn / Nijverdal Hoewel je tijdens een verblijf in Hellendoorn menig avontuur kunt beleven, denk je bij dit stadje liever aan het nabijgelegen voormalig sanatorium waar Adriaan Morriën in de loop van 1933 naartoe werd gebracht, blijkens de 'Chronologie' in zijn egotistische geschrift Plantage Muidergracht (1988): 'Begin juli met mijn ouders in een huurauto met chauffeur naar het Volkssanatorium voor borstlijders te Hellendoorn, Overijssel. Het wisselende landschap van Nederland in de breedte. De aanblik van het groene gras (wanneer was het ooit zo groen?) veroorzaakt een mystieke explosie in mijn levensgevoel. Waarom zijn dominees niet sprakeloos (zonder het dan onmiddellijk rond te bazuinen)? 's Middags tijdens het rustuur aankomst in het sanatorium, een langwerpig samengesteld wit gebouw op de heuvel, wel degelijk door pijnbomen omringd'. Deze achtergrond maakt Morriëns gedicht 'Sneeuw in Overijssel', opgenomen in zijn Verzamelde gedichten (1992) des te aangrijpender: Vanmorgen
lag de sneeuw op de velden Ik
daalde de heuvel af naar het oosten Ik
liet mijn blik langs de helling waaien Toen
ging ik het bos door, de donkere bomen `De
wind woei er licht en nauwelijks bevroren, Een
spar hield zijn mantel voorover gebogen Nu
was het doodstil en dan woei door de hoge Diep
onder de dennen, vreemd bleek en bevroren, Ik
durfde mij bijna niet bewegen,
11. Wierden / Enter Onder de titel Enter is dit dorp vereeuwigd in een korte film die romancier Arthur Japin heeft gemaakt, althans op papier. Deze uit vijftien hoofdstukjes bestaande literaire synopsis begint met de volgende scène: Haar
adem is zichtbaar in de kou. Zij loopt door een kaal bos. Er hangt
mist. Haar klompen schoppen tegen bladeren. 12. Twenterand Denk je aan Vriezenveen en de afgegraven gronden die achter deze negorij zich uitstrekken, dan doemt het onuitwisbare beeld van de desolate veendorpen voor jouw geestesoog op. Met name de 'streekromancier' Aar van de Werfhorst heeft het leven van alledag in het gebied ten oosten van de Lemelerberg vaak indringend beschreven, bij voorbeeld in De winterkraaien (1945): Het
veld lag wijd en zijd verlaten. De winterkraaien trokken weer naar
hun woonsteden toe. Een ploeg van zeven mannen, die hadden gewerkt
de gehele dag. 13. Tubbergen De omgeving van deze gemeente ligt bezaaid met grafvelden. Bij een opgraving in een van die grafheuvels bleek uit de verkleuringen van het zand dat daar een mens was begraven: de Man van Mander. Een verteerd skelet. Volgens de archeologen waren zijn benen afgehakt. Waarschijnlijk vreesden de nabestaanden dat de dode weer zou opstaan en de levenden mee zou nemen naar het dodenrijk. Het silhouet dat van deze mens uit de bronstijd was overgebleven, lag jarenlang in het Rijksmuseum Twenthe te wachten op bewonderende ogen. Willem Wilmink wijdde een gedicht aan 'De Man van Mander', louter bestaande uit vragen: Wat
wij weten van de Oertijd Was
die lange man van Mander, Ging
hij wel eens ver uit rijden Was
hij egger? Was hij ploeger? 14. Dinkelland Ga je in deze gemeente aanvankelijk op zoek naar De vuurspuger van Ootmarsum (1990), afgebeeld op het omslag van een boek met schilderijen van Jan Mulder, later zoek je liever de verstilde omgeving van de Sint Nicolaasstichting, een klooster nabij Denekamp waaraan Stephan Sanders de volgende herinneringen heeft opgetekend: Ook
toen al, meer dan vijfentwintig jaar geleden, was het een statig,
kaarsrecht laantje dat voerde naar een stenen trap, een bel die schalde
door een marmeren hal, een verlegen non die opendeed en uiteindelijk
naar de kleine maar kaarsrechte en statige zuster Judith. Zij sprak
met een licht Duits accent, behalve wanneer zij musiceerde, dat deed
ze accentloos. Ik kan me niet herinneren haar ooit over God te hebben
gehoord, maar des te meer over Telemann, Purcell, Hotteterre le Romain
en Bach natuurlijk, de god waar ze mij toe bekeerde.
15. Oldenzaal Je ziet 'm al van verre: de Plechelmus, de van 954 daterende basiliek met haar 61 meter hoge kerktoren in het hart van Oldenzaal. Een uitroepteken dat zowel godvruchtigen als andersdenkenden de weg wijst. De 'Oldn Griezn'. Niet alleen het middelpunt van Oldenzaal, maar misschien wel van heel Twente. De 'volksdichter' Wilmink schreef er in ''t stadsplat' de volgende versregels bij: Oatmörsken
hef zien mooie pleintje Juweel
van Tweante. Oaldn Griezn. Iej
hebt Bomn Beernd nog metmaakt, Juweel
van Tweante. Oaldn Griezn.
16. Losser Bij Losser tenslotte wil je aanvankelijk niets te binnen schieten. En je komt niet eens uit Losser. Gelukkig vind je in de diepste krochten van je geest nog een literaire plek tussen Enschede en Losser: Penninckskotten en de drie seizoenen anno 1971 die de schrijver Jean-Paul Franssens in een blokhut daar heeft doorgebracht. Dat was niet niks, getuige zijn overleveringen in de bundels Ware liefde (1994) en Zuiderkerkhof 1 (1997): Ik was een jaar of twee-, drieëntwintig en dermate 'door het leven geslagen', dat ik niets meer met deze wereld te maken wilde hebben. Dus sloot ik me op in een blokhut in een Twents Onheilsbos vlakbij de Duitse grens. Op de natte, gure zomer volgde een nog nattere en somberdere herfst. Klam en koud was het in die hut waar ik vaak met natte ogen rondliep en niet alleen uit zelfmedelijden, maar ook omdat de schoorsteen door een verkeerd gevallen vogelnestje niet wilde trekken. De winter werd de koudste sinds 1856. Het mag een wonder heten dat ik er niet ben doodgevroren. In mijn ellende kocht ik op een boerenjaarmarkt een tweedehands elektrische deken, waaronder misschien wel een katholieke boerin met astma en been-eczeem haar laatste adem had uitgeblazen.
17. Twente Teruggekeerd
in de Kasbah bezie je de tocht die je hebt afgelegd. Je hebt een hele
reeks literaire beschrijvingen van plekken in de Proeftuin Twente
gevonden. Locaties die ondanks hun literaire invulling hopelijk open
plekken zijn gebleven. Heb je nu de meest geslaagde beschrijvingen
van aansprekende plekken in de Proeftuin Twente gevonden,- of is er
misschien een nog mooiere tekst over het hoofd gezien? Soms kun je je, als je dat wilt, dit landschap zo te binnen brengen dat het wordt wat het altijd was: nooit deze weide waar je bent tussen koeien en gras, nooit die bosrand waar je staat tussen beuken - de rode -, tussen het blauw en het groen van de spar, nooit de hemel waaronder. Het is dag of is nacht en altijd hoogzomer. Het vee in de schaduw onder de bomen, bij het schijnwerperlicht van een zoveel watts maan of een zon, hoest en herkauwt naar behoren. En er kome wat kome: achter het rietgordijn, tussen neerhangende sluiers van bomen, in dit haast muisstil geritsel terzijde, word ik, als ik dat wil, wat ik altijd al was: nooit deze weide, de koeien, het gras, nooit het rode van beuken ,het groen van een spar, nooit het bedrieglijk echt blauw of inktzwart van een hemel. Het is dag, het is nacht, het is altijd hoogzomer.
Met dit prozagedicht van Reugebrink in de hand loop je naar buiten. Het landschap in. Het zandpad af. Is dit decorlandschap, zoals Brakman heeft geschreven, overwegend dienend op de achtergrond aanwezig met mooie bomen, boeiende bosranden en vriendelijke paden? Je kijkt om je heen, je stopt op het mooist denkbare punt en leest het gedicht aan het landschap voor. Verwaaiend stemgeluid. Overal en nergens. Vervolgens verdwijn je achter een van de coulissen die je zojuist nog hebt bezongen.
J. Heymans
|