R
E
I
S
G
I
D
S
 
  direct naar : Enschede Almelo Borne Hengelo Haaksbergen Hof van Twente Rijssen/Holten Hellendoorn Wierden Twenterand Tubbergen Dinkelland Oldenzaal Losser

Twente als reisdoel vormt het onderwerp van de reisgids. Reisverhalen in Twente door de eeuwen heen in combinatie met kaarten en beeldmateriaal van de beschreven tochten, huidige toeristische routes, en een hedendaagse reisbeschrijving door Twente worden in de reisgids samengebracht. De reisverhalen brengen de veranderingen in Twente en in de waarneming en waardering van Twente door buitenstaanders aan de oppervlakte.

bron afbeeldingen: Van Deinse Instituut


 

OPEN PLEKKEN

Een literaire verkenning van de Proeftuin Twente

 

1. Van Hengelo naar Enschede

Daar sta je dan,- op een van de meest verstilde plekken in Twente: de Gobelinzaal van het Rijksmuseum Twenthe in Enschede. Een pleisterplaats waar je, zoals Willem Brakman in zijn roman De oorveeg (1984) heeft geschreven, 'een museale stilte van grote en stimulerende kracht' kunt ervaren. Precies datgene waar je behoefte aan had. Je wilde eens rustig nadenken. Over de zoveelste queeste naar het Twentse land der letteren waartoe je was aangezet. Ten einde je in alle rust te beraden over een literaire verkenning van de Proeftuin Twente, had je, om te beginnen, gehoor gegeven aan een uitnodiging die de dichter H.H. ter Balkt had gedaan in 'De stilte', een van zijn sonnetten in de majestueuze bundel Laaglandse hymnen (2003): 'Zeg dan / waar de stilte is'.

Gobelinzaal
Rijksmuseum Twenthe
Zaal met doopvont en Pietà
Studentenflats TH, Drienerlo, Enschede

Voordat je deze museumzaal binnen wandelde, was je in de Kasbah aan de rand van Hengelo op de fiets gestapt. In deze wijk van 128 experimentele woningen op kolommen heeft de visionaire architect Piet Blom zijn ideeën omtrent het 'wonen als stedelijk dak' geprobeerd te verwezenlijken. Zowel qua architectuur als qua mentaliteit van de bevolking zou je de Kasbah min of meer als een dependance van de Campus van de Universiteit Twente kunnen beschouwen.
    Je had jezelf in een rustig tempo over de Bosweg voortbewogen, langs Drienerwolde, de roemruchte villa waar de literair criticus W.L.M.E. van Leeuwen voor de oorlog vele jaren woonde en de meest vooraanstaande Nederlandse schrijvers uit die dagen ontving: Menno ter Braak, E.du Perron, H. Marsman' Daarenboven was hij als leraar Nederlands aan het Enschedese gymnasium een inspiratiebron geweest voor zijn leerlingen: de latere dichters F.G. Dalenoord en Bert Schierbeek. Al deze ontmoetingen en andere herinneringen aan 'de herberg van mijn hart, woning van mijn werk, toevlucht voor mijn latere dromen' heeft Van Leeuwen geboekstaafd in Avonden op Drienerwolde (1966), een literair document waarvan een eventuele herdruk niet zou misstaan in de reeks Privé-Domein.
    Deze beladen literaire plek achter je gelaten, had je op de fiets nog even overwogen om ergens diep in de oostelijke bossen te verdwijnen, ver weg van het leven van alledag, opdat je sprakeloos zou worden van de stilte alom, maar Brakmans essay 'Schrijven in Overijssel' indachtig, opgenomen in het standaardwerk Het land der letteren (1982), liet je het bos links liggen:

Het landschap waarin ik nu al vele jaren vertoef is dan ook puur toevallig, en in de figuur die destijds mijn sollicitatiebrief uitkoos kan ik met de beste wil geen kosmische macht of kracht herkennen, noch in de overschakeling van de kust naar het oosten een cesuur of dramatische wending.
    Het Twentse landschap is ook niet indrukwekkend, nergens bar verlaten, ondoordringbaar of dreigend, men zakt nergens naar beneden, kan niet ergens borrelend in verdwijnen, en verdwalen is niet mogelijk, want wie stilstaat, hoort altijd wel ergens het ruisen van een snelweg. Ik noem het voor mijzelf een decorlandschap, dat wil zeggen, het is overwegend dienend op de achtergrond aanwezig met mooie bomen, boeiende bosranden en vriendelijke paden.

Via de Bosweg fietsend, was je maar niet losgekomen van het door Brakman zo plastisch beschreven landschap. Je besefte dat je eigenlijk iets aan het doen was waarvoor diezelfde schrijver een onvergetelijke omschrijving heeft bedacht, ongetwijfeld tijdens een van zijn fietstochtjes: denkfietsen.
   
Langzamerhand waren her en der tussen de bomen de eerste bouwsels van de Campus opgedoemd, het domein van de toenmalige Technische Hogeschool Twente waaraan je je in het begin van de jaren zeventig als student had ingeschreven. Toendertijd heerste daar nog het regime van de woonplicht. De eerste twee studiejaren diende je op de Campus te wonen. Doodongelukkig voelde je je aanvankelijk, tussen al die a-literaire studenten met puistige hoofden vol differentiaalvergelijkingen. Gelukkig kwam je - een verlegen jongen met een enigszins Haags verleden - toen al snel in een groep van gelijkgestemde studenten terecht,- lieden die evenveel werk maakten van 'de literatuur' als van het verwaarlozen van hun studie. Van die dagen dateert jouw kennismaking met het literaire werk van 'de veronachtzaamden', schrijvers die in de jaren zestig met grote regelmaat publiceerden, maar toen om een of andere reden betrekkelijk onopgemerkt waren gebleven, en in het bijzonder met de romans en verhalen van Brakman. Niet zozeer omdat hij tot de veronachtzaamden heette te behoren besloot je een boek van hem te kopen, als wel omdat je vond dat hij zichzelf zo'n goede schrijversnaam had aangemeten. Het werd: Het zwart uit de mond van Madame Bovary (1974), een roman die zich, tot jouw niet geringe verrassing destijds, deels afspeelt in Enschede. Nog altijd is de inzet van die roman onvergetelijk:

Waar te beginnen? Ieder begin is wel goed, want zelfs als zuigelaar, hurkend knaapje met knikkers, of als bebrild scholier voortschuifelend langs de huizen, altijd was ik wel met feilloze precisie op weg naar het punt waar ik nu zit te schrijven.
    Laat ik maar beginnen met de dag dat ik in tranen uitbarstte, wat toch een opmerkelijk feit is voor een volwassen man. Het was de dag dat ik meende tevergeefs op Jeanien te hebben gewacht. Staande onder het parkeerdak dat, geschraagd door dikke betonnen zuilen, om mij heen stond als een tempel, staarde ik verlaten uit over het drukke verkeer van de Boulevard en liet begeerte, verlangen, eenzaamheid en heimwee de vrije loop. Zo liep de afwezige geliefde in alle standen en onderdelen als een lauwe film voor mij af tegen de schrille achtergrond van een stadscentrum en zijn vijandige geluiden.

Zoals Pouderooyen, het hoofdpersonage van Brakmans zevende roman, stond te wachten bij de overdekte dagmarkt van De Klanderij - een troosteloos winkelcentrum dat de architect Pi de Bruin enkele jaren geleden liet omtoveren tot een heus 'shopping center' - zo had jij ook wel eens rondgezworven in de buurt van dat vreselijke tochtgat, zij het diep in de nacht, op zoek naar de zolderkamer van een vage geliefde.
    Nadat je Het zwart uit de mond van Madame Bovary had verslonden, eindigend met de onvergetelijke zin 'Hoe leeg is alles', bleek jou al snel dat ook Brakmans daaraan voorafgaande roman Kind in de buurt (1972) zich afspeelde in 'het onlieflijke stadje E.' Een prima remedie om aan een stad als Enschede te wennen, oordeelde je, al las jij deze roman over de kunstenaar Jan Oud om andere redenen. Sedertdien ben je het werk van Brakman altijd blijven volgen, en niet alleen om het feit dat hij vanuit Den Haag uiteindelijk in Twente verzeild was geraakt. Net als jij. Steeds meer begon de papieren werkelijkheid van Brakmans personages zich hopeloos te verknopen met jouw leven als TH-student, zeker nadat allerlei personen van vlees en bloed die als al dan niet eigenaardige figuren waren opgedoken in zijn romans, jouw pad hadden gekruist. Helaas gebiedt jouw literaire opvoeding, sterk bepaald door het ongeschreven beginselprogramma van De Revisor, hieromtrent verder het zwijgen te doen. Verder was je gefietst, achter de Vrijhof langs, het cultureel centrum in het hart van de Campus waar je Brakman, niet lang nadat je Het zwart uit de mond van madame Bovary en Kind in de buurt had gelezen, voor de eerste keer in levende lijve mocht aanschouwen. In het kader van een Studium Generale-lezing probeerde hij de volgende vraag te beantwoorden:

Ondersteboven van een boek, wanneer was ik dat? Die vraag doet me schrikken, want ogenblikkelijk stelt men zich toch zoiets voor als een betraand oog, een van ontroering bibberende wang, een onthutst de stukken weer bij elkaar zoeken, en ook is er de wat angstige bijgedachte dat men bij het ontbreken van dergelijke reacties een lezersleven tekort is geschoten.

Vervolgens week Brakman in zijn lezing over de grote gevoelens bij de literatuur naar zijn jeugd uit, naar De Scheepsjongens van Bontekoe en Fulco de Minstreel, en uiteindelijk kwam bij het werk van R.M. Rilke en Thomas Mann terecht. Onder de titel 'De grote schok was Rilke' werd Brakmans lezing nadien in De Revisor afgedrukt en jaren later in de essaybundel De jojo van de lezer (1985) opgenomen.
    In dezelfde lezingencyclus van Studium Generale aan de toenmalige TH Twente had je enkele weken eerder ook de dichter-criticus T. van Deel aanschouwd, tevens redacteur van De Revisor. Blijkens zijn lezing was hij ondersteboven geweest van de gedichtenbundel Een lege plek om te blijven (1975) van Rutger Kopland en De chauffeur verveelt zich (1973) van Gerrit Krol. Nog meer dan de lezing van Brakman maakte die van Van Deel een onuitwisbare indruk op je. De criticus maakte zich daarin sterk voor een literaire visie die jij weldra ook zou nastreven: een benadering waarin de anecdote hand in hand gaat met een zekere abstractie, intimiteit gepaard wordt aan distantie. Van Deel illustreerde zijn literaire standpunt onder meer met een voordracht van het 'titelgedicht' van Koplands bundel:

Ga nu maar liggen liefste in de tuin,
de lege plekken in het hoge gras, ik heb
altijd gewild dat ik dat was, een lege
plek voor iemand, om te blijven.

Een glashelder maar tegelijkertijd uiterst paradoxaal gedicht over het paradise lost-idee of, zoals Kopland het zelf ooit formuleerde in een gesprek met Van Deel, opgenomen in de bundel Bij het schrijven (1979): 'Zodra je op een plek bent is hij natuurlijk niet meer leeg: je kunt nergens zijn zonder er te zijn. Je kunt op een plaats zijn en blijven, maar die plek wordt pas dan weer leeg als je passeert'. Een gedachte die de dichter Van Deel herhaaldelijk heeft geprobeerd te vangen. Daarenboven heeft hij enkele onvergetelijke versregels gewijd aan de vraag hoe een plek, om wat voor reden ook, te benaderen:

Het is zo verborgen, te zien alleen
voor wie met een kijker in jaren
gewend is geraakt geen beweging te
zien, maar die er toch is, in minieme
verandering aanwijzing weet van wat
aan bedoeling nooit klaar, nooit af
ooit kan zijn. Hij nadert, omzichtig,
de plek, op een dag, en luid vliegt er op
wat, verbeeld, hij al jaren voor zich zag.

Dit gedicht veranderde daarom jouw zicht op de werkelijkheid, omdat het alle vormen van exploratief menselijk gedrag onder één noemer wist te brengen,- kunst, literatuur en wetenschap. Het is eigenlijk allemaal hetzelfde. Een constatering die nog eens wordt onderstreept door de laatste stelling bij het proefschrift van Koplands alter ego, de in Goor geboren psychiater R.H. van den Hoofdakker: 'Er is geen wezenlijk verschil tussen wetenschappelijk onderzoek en het onderzoek dat wordt verricht door de dichter bij het maken van een gedicht'. Het gedicht 'Verborgen' van Van Deel, opgenomen in de bundel Achter de waterval (1986), bleek uiteindelijk precies de sleutel te zijn voor het deurtje in de menselijke geest dat je tot dan toe niet had kunnen openen: de 'interface' tussen de kamer van de dichtkunst en die van de wetenschap. De deur die Schierbeek in zijn gelijknamige bundel had verdicht:

een deur is open
of dicht

een deur die open is
is een gat naar
de ruimte

een deur die dicht is
deel van de muur
begrenst de ruimte

als ie beweegt
is ie een deur

zo ben ik
een deur

Toen je de sleutel voor jouw deur eenmaal had ontdekt, kon je met enige moeite ook je totaal verzande studie weer vlottrekken.

Zo was je verder gefietst over de Campus, de plekken achter je latend die zich als vanzelf hadden gevuld met herinneringen. Je volgde een uitloper van het Abraham Ledeboerpark, in de nabijheid waarvan de dichter Dalenoord zijn jeugd had doorgebracht: 'Niets isoleerde beter van de rauwe straten / dan een urendiep park. Maar wie toch was / de mijmeraar die zoveel eenden in de plas / en kwikstaarts nodig had om mee te praten?'
    Even later belandde je bij een van de grootste lege plekken die je ooit had gezien: een reusachtige brandwond niet ver van het centrum van Enschede, veroorzaakt door de vuurwerkramp op 13 mei 2000.

Je had het destijds niet kunnen laten, daags erna had je er iets over moeten schrijven,- zoals altijd een dizain of dizijn onder de titel 'Zaterdag de dertiende' dat je je nu, vier jaar na dato, plotseling herinnerde, zij het niet zonder schroom:

Rampspoed steekt gemeenplaatsen aan: een zomerse
middag in mei, te warm voor de tijd van het jaar.

De lucht was zo stralend blauw, maar in de verte
klonk gerommel - de aanzet tot een onweer? - vreemd

vuurwerk dat veel te vroeg ontplofte en een daverende
stilte naliet, een rokende kaalslag, een geblakerd asiel

waar dolle honden liepen te janken tegen de hemel
donkerder dan de zwartste inkt voor God mag weten

welke treurzang, een paar verzachtende clichés niettemin
verblekend in de zon die alles onder zich gebeuren zag.

Maar je was bepaald niet de enige. In de dagen na 'Zaterdag de dertiende' ontstond spontaan, vlakbij het rampgebied, een bloemenmonument op het grasveld aan de Deurningerstraat, hoek Raiffeisenstraat.. Behalve bloemen en knuffeldieren werd in deze bloemenzee een groot aantal kaartjes, brieven, gedichten en tekeningen neergelegd. Uit al deze blijken van medeleven hebben Marike Fraterman en dichter-uitgever Goaitsen van der Vliet een selectie gemaakt en gebundeld onder de titel Berichten uit de bloemenzee. Een van de meest schrijnende teksten, neergelegd in de bloemenzee, bevatte een krastekening van een rookwolk en was ondertekend met Claudia:

Toen eerst dacht ik, in de kamer, dat er een vliegtuig door de wolken ging, en dat je dat hoort. Toen dacht ik: onweer, gek, om de zon. Toen dacht Paul dat het vuurwerk was, en toen vond ik het zo raar door elkaar, en' kijk, en rook, en vuurpijlen. Toen kwam er een knal en ik viel met een duw tegen mijn hoofd, en kijk, baf, ik val op de grond en glas knapt stuk. Ik kan niks terugzien. Ik ben zo bang dat ik alleen. En de wolk vreet en eet op. Het is zo erg zielig, dat toen ik verder rende - een meisje met bloed huilt en ze kijkt bang en ze roept en ik beweeg me niet.
    Het is erg en ik wil niet slapen. Ik denk steeds aan ogen en ik wil terug, ik heb daar heimwee naar, en het maakt niet uit of ik stik. Als het donker is ontsnap ik daar naar toe, en dan wil ik daar op de grond ook liggen, en in het donker.

Dit leg ik bij de bloemen, omdat ik steeds naar de plek wil, en naar alles terug, en denken de mensen, iedereen, heel lang aan dit en de ogen en vuur en dat je stikt en ook dood gaat.

Na je fiets tegen een muur van het Rijksmuseum Twenthe te hebben geplaatst en op slot gezet, was je spoorslags in de afdeling 'Oude kunst' verdwenen, in de voetsporen van Vliegen, de verteller van Brakmans roman De oorveeg: 'langs de bijbelse zaken ('), ook langs de pietà's en de kruisigingen ('), aan de Hollandse ijspret ging ik eveneens voorbij, ook aan de sneeuwlandschappen en de stillevens, langs de avonden over veld en plas, langs biddende vrouwen met knobbelhanden, langs windmolens en melkende deernen, breiende dochters en starende vissersvrouwen aan het strand'. Uiteindelijk kwam je bij een olieverfschilderij uit dat Vincent van Gogh had geschilderd toen hij was opgenomen in het gesticht in Saint-Rémy: Portret van een man met één oog (1888). Toevallig het linkeroog. Je had in het voorbijgaan nog even naar Collega Eenoog geknipoogd. Vervolgens was je aangeland op je eerste tussenstop van je queeste naar het Twentse land der letteren.

terug

2. Enschede (1)

Geen mooiere beschrijving van de Gobelinzaal dan die van Brakman in het al eerder genoemde essay 'Schrijven in Overijssel'. Dit is overigens niet alleen opgenomen in Het land der letteren, maar bij voorbeeld ook in Het onlieflijke stadje E. (1999), een door Gerrit-Jan Kleinrensink samengestelde bloemlezing uit het werk van Brakman over Enschede:

Vroeger was het museum gegarandeerd hol en stil, en ik beluisterde er de eigen voetstap terwijl ik neerzag op ondoorgrondelijk bot, steen en brons. Een zeer tijddoordrenkt beleven, dat zijn subtiel hoogtepunt vond in de gobelinzaal, een zaal door zijn wandbekleding en zijn centrale ligging absoluut stil. In die zaal staan een houten bank en een monument van een Haagse klok. Daar zit ik nog wel eens als de nood hoog is en luister, luister hoe langzaam door het wennen van het oor, de tik duidelijker en duidelijker wordt. Tenslotte komt hij dan voorbij in al zijn statie, de absoluut zuivere seconde. Bewaart men te Parijs de platina meter, Enschede heeft de tijd, de platina seconde.

Staande in het midden van de Gobelinzaal valt je onmiddellijk op dat deze museale omgeving niet meer dezelfde is sinds Brakman haar meer dan twintig jaar geleden vereeuwigde. Zo heeft de beschreven Haagse klok gezelschap gekregen van twee andere staande horloges. Bij nadere beschouwing blijkt dat de tijd achter de diverse wijzerplaten is weggeslopen, steeds op een verschillend tijdstip. Jammer dat je niet meer kunt ervaren, of - volgens een ontdekking van Christiaan Huygens - ook deze klokken na verloop van tijd exact gelijk waren gaan tikken. Nu staan ze met veel grandeur stil, zij het niet op het esthetische tijdstip van 10 over 10. Zo wordt de stilte in de Gobelinzaal niet alleen hoorbaar en voelbaar, maar ook nog eens zichtbaar. Overigens is dit alles niet meer gewaar te worden op een houten bank.
    Bovendien is de Gobelinzaal gemoderniseerd. Naast de enorme wandtapijten, de kussenkasten de staande horloges en een paar zeventiende-eeuwse schilderijen bevat de zaal ook twee 'sandwichsculpturen' van Ger van Elk, loodzware constructies waaronder de tussenliggende portretten, landschappen en beschilderde foto's bijna bezwijken. De ene sandwichsculptuur staat pontificaal onder een van de wandtapijten in de Gobelinzaal. Je zag haar al bij binnenkomst: een gevaarte genaamd Parliament of the Mind (1992). De andere ontdekte je pas toen je je omdraaide: Pressure Portrait (1992). Die sculptuur hangt vervaarlijk boven de ingang die je nog maar pas geleden passeerde. Onwillekeurig ben je de bouten, moeren en spijkers toch dankbaar dat ze zo vriendelijk zijn om de sculptuur onwrikbaar vast te houden.

Rondlopend in de Gobelinzaal probeer je de essentie van waar je bent beland iets preciezer te omcirkelen. Je beschouwt deze ruimte als een van de stilste plekken in Twente, maar is ze eigenlijk wel een plek? De dichter-essayist Martin Reints wijdt in aflevering 106 van het literair tijdschrift in boekvorm Raster onder de korte maar krachtige titel 'Hè?' enige gedachten aan dat begrip. Volgens Reints is een plek iets anders dan een plaats: 'Het woord ''plek'' duidt op geografische bepaaldheid. Sterker nog, een plek is iets waar een bepaalde gebeurtenis plaats heeft gehad. Voordat er iets gebeurde was die plek gewoon een plaats. Een plek is te vereenzelvigen met een datum: 'Je herinnert je de plek waar je een mes op de keel kreeg, waar je je eerste tongzoen beleefde, waar je met je fiets over de kop ging, en je leert de plekken kennen waar iemand anders is doodgeslagen, waar iemand een beroemde gedicht heeft gesitueerd, waar de restanten van het Lam Gods hangen, waar ooit je ouders zijn geboren'.
     Een plaats wordt dus pas een plek als je tot de ontdekking komt dat er iets is gebeurd. Over dit verschijnsel heeft de schilder/schrijver Armando veel geschreven, bij voorbeeld in zijn eerste 'Verslag uit Berlijn': 'Maandenlang loop je langs zo'n huis, best een aardig huis, hoor, en dan ineens is het een plek. Jammer. Prachtig'. En wat te denken van een titel als Geschiedenis van een plek (1980), de televisiedocumentaire die Armando in samenwerking met Hans Verhagen en Maud Keus over het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort maakte. Een plek is een plaats waaraan op een of andere wijze een datum en dus een herinnering kleeft. Zoals voor jou bij voorbeeld: de Gobelinzaal.
     Hier, ongeveer op de plaats waar Van Elks 'sandwichsculptuur' Parliament of the Mind zich bevindt, voerde je op 10 januari 1999 een openbaar gesprek met de dichter en schrijver H.H. ter Balkt. De aanleiding was de presentatie van Charles Leickert, het Utrechts Psalter en Torrentius (1999), de boekuitgave van de tekst die Ter Balkt ruim een jaar eerder had uitgesproken bij de opening van de tentoonstelling Zomerse verten, ijzige winters, de Hollandse landschappen van Charles Leickert 1816-1907. Bij deze gelegenheid reciteerde Ter Balkt met zijn sonore stem ook enkele gedichten uit de bundel Tegen de bijlen (1998) zoals 'Aan de infrastructuren' waarmee zijn Leickert-tekst eindigt en een 'Ode aan de betekenis' - oftewel een tirade tegen het symbolisme - die als volgt begint:

Een bietenveld is een bietenveld is een bietenveld
De A 73 is de A 73, niet de A 72 maar de A 73 en let op de weg

De motregen is de motregen en niets dan de motregen
(maar pas op dat de motregen geen gaten brandt in je hart)

En Troje voor de Trojanen Maar niet in Troje
De Trojanen op hun vrolijk terras

De spookrijders zijn vaak anderen dan de spookrijders
De gloeilamp in 't Mastbos is deze en geen andere gloeilamp

En de ster Venus is de ster Venus en niets dan de ster Venus
Schuw de nachtschaden en een koud hart vol van rag

En beteugel ons, elektronen En beteugel ons
Laat af te morrelen aan eeuwenoude ketens

In tegenstelling tot de 'Ode aan de betekenis' zijn veel van de gedichten van Ter Balkt plekken in die zin dat ze een dichterlijke reflectie op een duidelijke gebeurtenis inhouden. Dit geldt in het bijzonder voor de Laaglandse hymnen, een veelstemmige verzameling sonnetten waarin hij de vaderlandse geschiedenis vanaf de steentijd tot aan de eenentwintigste eeuw bezingt. En als een gedicht van Ter Balkt al geen plek is, dan krijgt het die status als vanzelf wanneer je het leest. Als je het laatste woord hebt bereikt, is het gedicht al een herinnering geworden,- een avontuur, zeker als het blijft hangen. Dit wil evenwel niet zeggen dat de afdruk in woorden waartoe de dichter zichzelf heeft gebracht, overeen hoeft te komen met het spoor dat de lezer meent te herkennen. In weerwil van Koplands eigen interpretatie van het al eerder geciteerde 'titelgedicht' van zijn bundel Een lege plek om te blijven kan je het ook poëticaal interpreteren: als een gedicht dat wordt gelezen. Elk geslaagd gedicht blijft dus altijd een open plek, maar het maakt tegelijk herinneringen en stemmingen bij je los, en misschien ook wel interpretaties. De discrepantie tussen enerzijds een plek en anderzijds de doorwerking daarvan heeft de van oorsprong Roemeense schrijfster Herta Müller aan de orde gesteld in een voordracht gehouden op het symposium 'Nationale Literaturen heute - ein Phanthom' in de zomer van 2003 in Zürich: 'Waar gaat het hoofd en waarheen gaan de voeten - daarbij zijn minstens twee verschillende plekken in het spel, waarschijnlijk meer dan twee'.

Hoe kom je, staande in de Gobelinzaal, tot een literaire rondreis in de Proeftuin Twente? Eigenlijk is die queeste naar het Twentse land der letteren al begonnen. Tijdens jouw fietstocht van de Kasbah naar de Gobelinzaal brachten allerlei plekken de meest uiteenlopende herinneringen aan literaire fragmenten bij jou naar boven. Dit wil overigens niet zeggen dat je onmiddellijk weer aan dezelfde gedichten en stukken proza wordt herinnerd, als je die tocht nog eens zou maken. Elke fietstocht brengt toevallige invallen teweeg, maar wat moet de argeloze lezer die de literaire trip van de Kasbah naar de Gobelinzaal zou willen navolgen, met jouw particuliere herinneringen?

 

3 Enschede (2)

 

Weggegaan uit de Gobelinzaal besluit je je fiets naar het station te brengen, maar niet nadat je een kopje koffie en een glas water in Café Het Bolwerk hebt gedronken. Vroeger mocht je jezelf tot de stamgasten van dit proeflokaal rekenen, maar die tijd heb je ver achter je gelaten. Op een goede dag kreeg je behoefte aan wat de Duitsers zo treffend 'Tapetenwechsel' noemen. Verandering van decor. Nadat Willem Wilmink in 1991 naar Enschede repatrieerde en een pand in de Javastraat betrok op een steenworp afstand van zijn geboortehuis, werd hij al snel de bekendste stamgast van Het Bolwerk. Meer dan eens heeft hij een gedicht aan dit etablissement gewijd, zoals een aangrijpend afscheid van 'Een stamgast van Het Bolwerk' en een strofe van zijn 'vertaling' van Carl Orffs keuze uit de middeleeuwse liederenbundel Carmina Burana:

In Het Bolwerk bij de Markt
           wil ik overlijden,
met een Duvel van het schap

           voordat ik moet scheiden.
Engelenkoren zullen mij

           met gezang verblijden:
'Heer, wil deze dronkelap

           tot uw schapen leiden.'

Een verblijf aan de stamtafel van Het Bolwerk leidt er onverbiddelijk toe: 'je moet een keer gaan staan'. Als je bij het urinoir verwijlt, dringt zich, zoals zo vaak op deze plek, het onvergetelijke gedicht 'Sans rancune' van Goaitsen van der Vliet aan je op:

Doo'k in mien stamkafee
vuur n pisbak stun en
n moal opzied keek,
schruk ik miej lam:
doar ha'j ne,
den wied en zied
bekeandn dichter!

Miegn kon e nich.

Ikke wa.

Station NS
De wijk Pathmos

 

Opgewekt stap je op de eerste de beste trein. Het maakt niet zo veel uit welke, want alle treinen vanuit Enschede in westelijke richting rijden naar Almelo, de volgende tussenstop van je queeste. Dat was overigens ook al het geval toen de Twentse droogkomiek Herman Finkers die stad nog niet op de kaart had gezet.
    Langzaam maakt de trein aanstalten om de stad te verlaten die Wilmink zo vaak heeft vereeuwigd, onder meer in zijn gedichten 'Textielstad' en 'Nieuw Enschede', maar ook in 'Eanske':

Eanske is onmeunig mooi,
Eanske is onmeunig mooi.
'Joa, oons oalde Eanske,' zeg mien moo,
'is hoast net zo mooi as Almelo:
Eanske is onmeunig mooi.'

Je bent op weg naar een volgende plek waar 'een museale stilte van grote en inspirerende kracht' heerst. Daar zul je jouw queeste van het Twentse land der letteren vervolgen. Het heeft, wat jou betreft, weinig zin om nog een reisgids voor Twente toe te voegen aan de literaire wandelingen die al zijn uitgezet in het kader van de reeks 'Kom op verhaal in Overijssel'. Liever onderneem je iets wat je nog nooit hebt gedaan. Ondanks alle literair-geografische essays die je hebt geschreven over schrijvers in Overijssel, onder meer gebundeld in Terug naar De Brug (1995), Oorlog op Pathmos (1998) en Sprong over de IJssel (1997), heb je nooit precies willen aangeven welke teksten over welke plekken in Twente een onuitwisbare indruk op jou hebben gemaakt. Altijd stond de inventarisatie voorop, nooit jouw persoonlijke smaak. Dat moest maar eens anders. Daarom heb je besloten om deze zoveelste queeste van het Twentse land der letteren een geheel eigen invulling te geven.
    Je begeeft je in sneltreinvaart naar Almelo om in de bibliotheek aldaar die literaire teksten bij elkaar te zoeken die jij tot de mooiste over Twente rekent. Bij wijze van bloemlezing. Eén gedicht of prozatekst bij een plek in elk van de veertien Twentse gemeenten. En misschien durf je dan uiteindelijk ook wel de allermooiste tekst aan te wijzen.
    Je had het jezelf natuurlijk veel gemakkelijker kunnen maken. Zowel het literaire oeuvre van Ter Balkt als dat van Brakman is zo rijk aan geografische verwijzingen, dat het eenvoudig de basis zou kunnen vormen voor een queeste naar het Twentse land der letteren. Een literaire rondreis in de Proeftuin Twente. Op zoek naar open plekken. Alleen al met een bloemlezing uit Ter Balkts Laaglandse hymnen en andere bundels zou je, met het Mastbos nabij Boekelo als epicentrum, wekenlang kunnen zwerven in het schone land tussen Dinkel en Regge. Ook met een bloemlezing als Het onlieflijke stadje E. in de hand zou je dagenlang in Brakmans oeuvre en in de voormalige textielstad kunnen dolen.
    Zowel Ter Balkt als Brakman heeft een superbe, sterk aan een plek in de gemeente Enschede gerelateerde prozatekst geschreven die als basis van hun gehele oeuvre kan worden beschouwd. Ter Balkt publiceerde zijn 'Zelfportret als mastbos' in het vierde lustrumnummer van De Revisor 1993/6:

Je werkelijkheid is 't enige dat je hebt! Dus ik kwam uit het bos en de winter; uit het Mastbos van waaruit ik het einde van de oorlog zag naderen, einde en overwinning, uitgebeeld in een Canadese of Amerikaans tank, met een rode ster gesierd en voortrollend over de landweg. Of een steenweg uitreed over een steenweg, zo ratelden de banden. Misschien was die tank verdwaald of gedeserteerd, want waarom was die groene tank anders zo alleen'. Vrijwel parallel aan het kronkelende beekje (de rode uit een neergestort vliegtuig afkomstige munitiekist lag in een ander beekje, twee bossen verder) dat later vreemd blauw en geurend slib kreeg, kronkelde de stenen landweg met die Don Quichote-achtige tank erop die ik, staande tussen de varens zag. Verderop groeide de beuk waarin één jaar later mijn naam geschreven werd. Dichterbij lag de offerplaats van de vossen: een boomstomp waaraan veren kleefden. Aan een dichtgegroeid en door varens overwoekerd karrenspoor stond de duistere takkenbosmijt, daar liep eens dood op zijn gemak, of hij verdwaald was, een donker wijdbeens gaand dier, een brede witte streep over zijn snuit, of hij onderweg was van het ene sprookje naar het andere. In de stad was het toen al jarenlang winter. En nee, de door mensenhand in het Mastbos gegraven vijver was pas veel later in dat bos ontstaan. Salomonszegel en lelietjes van dalen bij een donkere holle weg. Twee jaar later zag ik pas echt hoe geveerd de varens waren, hoe sierlijk ze hun kromstaf bij zich droegen. Nog weer een jaar later schoot Haverkamp de jachtopziener daar het altijd vrolijke hondje Sjekkie dood. Zijn graf ligt bij de ook al verdwenen havermijt. Dit is de tijd van verdwijning. Recht waren de dennen. Eén jaar daarvoor had de voodoo van de tijdgeest ze gekromd. De sparren namen de schutkleur van prikkeldraad aan, dennentakken hingen rafelig neer als de vlerken van door het spook van Haverkamp neergeschoten roofvogels en duiven. Er scheen een oog door de wolken, dat was de zon. Het was daar dat ik ooit mijn eerste dichtregels bedacht, niet de oorlogsverklaring aan de krombuigers, aan de toekomstige Uri Gellers. Het is nu laat, het werd 1992 en 1993. Weggerotte slagbomen, de vijver blind van blad en takken. Ver weg ratelt snelverkeer, het nakroost van die sombere tank die blijde tijding bracht.

En Brakman schreef een 'Zelfportret als Pathmos' onder de titel 'Herinnering aan Duindorp' waarin hij onthult dat zelfs sommige plekken in 'het onlieflijke stadje E.' kunnen fungeren als het decor voor zijn jeugdervaringen in Scheveningen:

Als ik van Boekelo op de fiets naar Enschede ga, kies ik mijn weg altijd door de wijk Pathmos. Op dagen dat ik om uiteenlopende redenen wat ingekeerder ben dan anders en wanneer het stoffig is en zonnig en het juiste uur van de dag (liefst tussen de middag), dan, maar lang niet altijd, fiets ik daar ter plaatse door Scheveningen. De gelijkenis met het Duindorp van mijn kindheid is maar vaag: dezelfde bevolkingsdichtheid, onachterhaalbare geluiden vanachter muurtjes, ongeveer de zelfde kleur van de muren (bruinrood met een heel ijle, paarse achtergrond), maar de huizen zijn anders, wel dorps maar toch anders. De ware gelijkenis ligt in de details, zo zijn de hoeken van enkele straatjes als die in Scheveningen, van die steentjes welke weten dat je er bent, mild, heimelijk en onafgebroken, zoals ook sneeuwvlokken maar wervelen en onophoudelijk kunnen omvatten. Dan ga ik de wijk in, wel met vertrouwen, maar toch op sombere wijze, want dan kan er meer. Ik voel hoe Pathmos verder en verder lokt; met poorten, stoepranden, putdeksels, hekken en afval op straat dat mij bekend voorkomt en zelfs ontroert. Verglijdende fragmenten van binnenplaatsjes vol schaduw doen de rest. In Scheveningen waren de straten vol avontuur van op school voorgelezen boeken en ook van enkele uit de bibliotheek, ik kon precies aangeven waar het kasteel stond van de Heer van IJsselstein, onzichtbaar voor allen, maar hoog en onwankelbaar voor mij. Ook de plaats waar de kasteelheer Faulkner was weggereden, had ik met krijt kunnen omlijnen en ook waar Julien had gestaan, het geweer nog aan de voet. Hij stond precies in het vlak van de illustratie in Door de Russische sneeuwvelden, nog een stap verder en hij was er uit gevallen. Ik zeg dit maar om de velen die mij destijds vroegen waarom ik op die plaats steeds mijn hand uitstak. Dat mis ik in Pathmos, in Scheveningen ademde ik de lucht in van de verhalen, maar dit missen is al veel en toch ook een overeenkomst. Hier ben ik minder verstrikt in de boeken, beweeg mij niet tussen de wervel van de letters, de tafel is als het ware iets te hoog en de hand ligt niet makkelijk op het blad. Maar de onderdelen zijn wel zorgvuldig naar Pathmos overgebracht, steeds weer ben ik getroffen om wat zij allemaal te vertellen hebben. Fiets ik weg door de laatste poort, dan ben ik als met sneeuw overdekt.

Deze beide teksten van Ter Balkt en Brakman beschouw je als de mooiste over een plek in de gemeente Enschede geschreven. Zou je ook gedichten en andere literaire teksten kunnen vinden voor plekken in de overige dertien Twentse gemeenten die daarmee kunnen wedijveren? Met deze vraag in je achterhoofd zie je vanuit het raam van de zich langzaam versnellende trein de laatste resten van Enschede verdwijnen. Zoals je voor je voorgenomen queeste zou kunnen putten uit het rijke oeuvre van Ter Balkt, is er, naast Het onlieflijke stadje E., ook een bloemlezing denkbaar met teksten van Brakman over Twente. Daarbij zouden zijn novelle De reis van de douanier naar Bentheim (1983) en zijn roman De afwijzing (2004), twee hoogtepunten in een nog immer uitdijend oeuvre, als leidraad kunnen dienen. Hopelijk eindigt jouw rondreis niet zoals Brakmans novelle begint: 'Kort geleden ben ik om redenen die hier niet ter zake doen uit een stadje gemieterd waarvan ik de naam maar niet zal noemen.'

terug

4. Almelo

Evenals de heer Van Kol en de douanier, twee personages uit Brakmans novelle De reis van de douanier naar Bentheim, kom je een klein half uurtje nadat je in de trein was gestapt, in een 'vervloekt onaangenaam' Almelo's perronwindje terecht: 'Buiten lag het stationsplein veelbelovend voor hen: een pinkelend verkeerslicht in het midden, de overkant in paarse schaduwen en van hoog tot laag namen in allerlei vrolijke kleuren: Sporthuis, Bank, Modecentrum, Het Textielpaleis, maar ook het koffiehuis ''De Koperen Smorre'''.
    In tegenstelling tot Brakmans personages die weldra uit het zicht zijn verdwenen en met kleine slokjes genieten van hun koffie, loop jij door naar de mooiste literaire plek van Almelo,- een binnenwatertje in het centrum van de stad dat W.F. Hermans heeft vereeuwigd in zijn gelijknamige verhaal 'Loolee', opgenomen in de bundel Moedwil en misverstand (1948):

De Loo-Lee moet een water zijn, al lijkt zij niet op water. Het water stroomt, dus is de Loo-Lee een rivier. Maar alle water dat stroomt is geen rivier en in elke rivier stroomt geen water.
    De Loo-Lee is een rivier van stromend vuil. Zou iemand zijn hand erin steken - maar de oevers zijn daar te hoog voor en te steil - de hand zou er zwart weer uit komen. Daaraan is het vuil te herkennen, nietwaar?- Het vuil van de Loo-Lee herken je bovendien aan zijn stank.
    De Loo-Lee doorsnijdt een stad; die stad is Almelo, waar vele fabrieken staan. Het zwarte water van de Loo-Lee doorsnijdt Almelo echter niet als een overal te volgen weg van dunvloeibaar asfalt. Men wordt slechts één keer met de Loo-Lee geconfronteerd. Loop je door de Grootestraat, dan zie je - doordat die straat zo bochtig is plotseling - recht tegenover elkaar de huizenrijen even ophouden en vervangen worden door groengeverfde ijzeren leuninkjes; het stenen wegdek wordt er van hout. Er ligt daar een brug; wie er overheen gaat, schrijdt door een muur van stank.-

    Wie midden op de brug blijft staan, ziet een smalle, loodrechte canyon van achtermuren, die niet zelden onderbroken wordt. De huizen zijn niet zo talrijk, niet dicht aaneengesloten. Almelo is geen grote stad, het is kleinsteeds.- Waarschijnlijk ziet men ook een paar veranda's van vermolmd geel, waar enkele stukken roze wasgoed aan lijnen hangen.

Brug over de LooLee
Haven
Kanaal met havenkom
Molenstroom
't Kolkje met gezicht op de Grote Kerk
Groote Straat

Na enkele minuten bij de Loo-Lee te hebben stilgestaan, wandel je naar de Openbare Bibliotheek. Dit spectaculair ogende gebouw dat zelfs op het omslag van het Jaarboek Architectuur 1995 prijkt, is ontworpen door het architectenbureau Mecanoo uit Delft. Vlak voordat je in de ruime draaideur van de bibliotheek verdwijnt om in de koele stilte de twaalf overige literaire fragmenten bijeen te zoeken, zie je 'een opvallend mooie auto' voorbijrijden, 'wat hoekig en ouderwets, pas gepoetst en fonkelend in de zon'. Achter het stuur: een roodharige chauffeur, met de vingers opgewekt één of andere dreun meetrommelend. Naast hem: de douanier. Achterin: de leraar.

terug

5. Borne

Zojuist nog ben je dit dorpje in sneltreinvaart gepasseerd. Toen het blauwe bord met 'Station Borne' voorbij schoot, dacht je aan de roman Met koele obsessie (1979) van Oscar de Wit, een voormalige onderwijspsycholoog die in de tweede helft van de jaren zestig furore maakte in Enschede. In dit eerste deel van wat ooit een autobiografische trilogie moet worden, kijkt hij niet alleen terug op zijn 'tropenjaren' in Twente, maar hij beschrijft ook hoe hij er nadien soms nog verpoosde:

De laatste keer dat ik in Borne uitstapte was het herfst geweest. De bossen waren geel en rood gevlamd. Ik had zitten lezen in De boeken der kleine zielen. Toen de trein stopte zag ik een keurig oud dametje, keurig is het woord niet, een verfijnd en gedistingeerd dametje uit de wachtkamer, die verder niemand betreedt, op het perron stappen. Het was zo'n vloeiende overgang van droom naar werkelijkheid, dat ik heel eventjes in de waan kon verkeren de oude mama Van Löwe te hebben gezien.

Station Borne
Fabriek van Spanjaard

 

 terug

6. Hengelo

Ergens 'in het toendra-achtige gebied tussen de IJssel en de Oeral', op een willekeurige plek, zich nauwelijks onderscheidend van zijn omgeving, 'rondom de samenvloeiing van vier stille beken', is Hengelo ooit gesticht. Aan deze plek - 'hoe je het verder ook wilt noemen: een stad, een dorp, een conglomeraat van lelijke straten' - heeft de romancier en essayist Kees Verheul de episodische novelle Een vierkant in de toendra (1993) gewijd, later heruitgegeven onder de titel Stille knieval (1998). Een van haar illustere inwoners ' en een personage in Verheuls novelle - was de oogarts-schrijver Han van Grevelingen:

Telkens als de schrijver opkeek van zijn papier zag hij achter de struiken in zijn tuin de spoordijk. Soms leek het of de trein naar Oldenzaal om de vijf minuten langs de bovenrand van zijn blikveld reed. Dan was de schrijver geïnspireerd. Maar vandaag bleef de spoorbaan bijna continu leeg. Een helling vol keien met aan de voet ervan een border vol kaal glimmend hout. Starend naar de takken en de regen merkte de schrijver dat hij zat te wachten, wie weet hoe lang al. Wanneer kwam de volgende lawaaigolf, de volgende explosie van door de wind neergeslagen stoom? Pas als dat onding was weggedenderd had hij een kans dat zijn vulpen, gerustgesteld, weer een zinnetje zou produceren.
    'Een kleine halte op het traject dat naar Rusland leidt', dacht de schrijver. Hij glimlachte. Naar Rusland' Het paste fraai bij zijn novelle. Alleen moest je van hier wel eerst door Duitsland reizen.
    Elke keer dat de trein het huis passeerde met ene bestemming verder dan Oldenzaal had hij een gevoel in een theater te zitten, eenzaam op het podium. Vóór hem was het decor, achter zijn rug, in het donker, de zaal met Hollandse vrienden en familie. Dan verscheen de locomotief. Na te zijn voorbijgeraasd boorde hij zich verderop onder een fluitsignaal door het beschilderde linnen. Wat op die plek overbleef was alleen een gat met het bovenschrift: gevaar. Niemand durfde er naar binnen, ook al was het tegenwoordig vrede.

Spoorstraat met viaduct

terug

 

7. Haaksbergen

Tot jouw verbazing worden Haaksbergen noch het door essayist Guus Middag zo fraai beschreven buurtspoorlijntje aldaar genoemd in Querido's letterkundige reisgids van Nederland: 'Ooit was dit dorp per spoor verbonden geweest met de grote wereld: met de verre Achterhoek, Zutphen, Parijs, Rome aan de ene kant, en met Boekelo, Enschede, Berlijn, Moskou aan de andere'. Tegenwoordig is het buurtspoorlijntje nog slechts op zon- en feestdagen in gebruik. Dat is één van de manieren om 'de zee op de heide' te bereiken, een fraaie metafoor waarvan Middag de herkomst beschrijft in zijn kinderboek Ik maak nooit iets mee en andere avonturen (1995):

Ik maak nooit iets mee. Maar vroeger wel. Want toen woonde ik in een dorp ergens in het binnenland. Het was aan de noordkant omgeven door essen met akkers, aan de oostkant door veen en moerassen, in het zuiden door hei en bos en in het westen door weiland met houtwallen. Toch was er een straat die Zeedijk heette. Wat een zee was wist ik en wat een dijk was hadden ze me ook al uitgelegd, maar wat moest die platte straat met die rare naam daar midden in het dorp? Niemand wist het.
    Een paar kilometer naar het noorden lag Boekelo. Daar stroomde 'de zee op de heide', zeiden ze. Er werd zout in de grond gevonden dat daar enige tientallen miljoenen jaren geleden door een oude zee moest zijn achtergelaten. Een slimmerik had bedacht dat je dat zout met gewoon water kon vermengen. Als je dat in een zwembad liet lopen en als je dan ook nog voor een kunstmatige golfslag zorgde, kon je midden in de bossen als het ware in zee zwemmen.
    Misschien had ons dorp heel vroeger wel aan dezelfde zee gelegen, en was de naam Zeedijk nog een laatste herinnering aan een oude zeewering? Dan was het marktplein misschien wel de haven geweest en had op het voetbalveld ooit de branding geruist. Een mooie gedachte. Als ik mijn ogen dichtdeed ging het gekoer van de duiven vanzelf over in het krijsen van echte meeuwen. De fluit van de stoomtrein veranderde in het klagen van een mistboei. 's Avonds werd de kerkklok met zijn verlichte wijzerplaat een vuurtoren.

Boerderij 'Oude Lankheet', Haaksbergen
Bad Boekelo
Marktplein Haaksbergen, 1856

terug

 

8. Hof van Twente

De naam van dit dorpje contrasteert nogal met de sfeer die de Hof van Twente uitstraalt: Goor, de geboorteplaats van Rutger Kopland. Onder de titel 'De Wheeme' schreef de dichter ooit een prozatekst over die 'dierbare plek, niet in Goor, maar in mijn hoofd': 'Jaren later ben ik er weer geweest. Ik was een jaar of veertig, schat ik. Het huis stond er nog, maar voor mijn gevoel was alles er omheen verwoest. Weg geplaveid, berm betegeld, boomgaarden gerooid, moestuinen verdwenen, arbeiderswoninkjes gesloopt, schuurtjes achter in de tuin in elkaar geslagen en verbrand, kippen en konijnen vermoord, linden omgehakt. Onze wereld wordt bewoond door vijanden van die wereld. Ik wil nooit meer naar Goor'. Toch is Kopland nog eens naar die plek teruggegaan, niet in werkelijkheid, maar in zijn hoofd. Dit gedicht onder de titel 'Mijn geboortegrond Twente', opgenomen in de bundel Over het verlangen naar een sigaret (2001), getuigt ervan:

Ik weet niet of ze er iets toe doen
die talloze toevalligheden.

Zo kwam ik bijvoorbeeld ergens ter wereld
maar waarom ik en waarom daar
hoe oneindig klein was die kans
dat er gebeurde wat er gebeurde

als je denkt aan dat oneindige aantal
mensen dat deze aarde nooit en nergens
zal zien. En bovendien:

die toevallige man en die toevallige vrouw.

Zij hebben mij verteld wie ik was
en waar ze me hadden gevonden
dit ben je, zeiden ze, hier ben je.

Mijn herkomst is te raadselachtig
om te beschrijven, te vanzelfsprekend
voor meer uitleg dan deze:
ik ben omdat ik er ben.

Ik lees in het bijbelboek Psalmen
en herinner mij hoe mooi Twente is.

Er moet een toevallige god zijn.

Panorama van Goor

terug

 

9. Rijssen / Holten

'Behalve Adam Langenberg heeft iemand van betekenis in Rijssen niet gewoond en dat is ook goed, want die stichten maar verwarring, zulken brengen de rustige kringloop van 't leven in gevaar'. Deze zin is gelogenstraft door de schrijver ervan: Belcampo, nom de plume van 'levenswandelaar' Herman Pieter Schönfeld Wichers. Vier jaar na zijn geboorte anno 1902 in Naarden kwam hij naar Rijssen waar hij opgroeide in een pand aan de Grotestraat, naast het huis met de trapgevel van 1664. In dit stadje is Het grote gebeuren (zelfstandige uitgave, 1959) gesitueerd, Belcampo's beroemdste verhaal waarover je, zoals je aan den lijve hebt ervaren, in Rijssen nog altijd beter maar kunt zwijgen. Een fragment:

In een mens is iets van de boemerang. Koen en duizelend stort hij zich in 't leven voor- en opwaarts maar altijd komt op grote hoogte het terugzien op zijn eigen baan en oorsprong en eenmaal is er 't punt waarop 't verlangen naar terugkeer de overhand krijgt op drang naar groter verte.
    Zo was het ook met mij gegaan. Na tientallen jaren van rondbuiteling was ik weer teruggekomen in het Rijssen van mijn jeugd.
    Hetzelfde zoemen van de hei, hetzelfde suizen van de dennen, hetzelfde vredige gedoe met beesten en gewassen, dezelfde rustige beslotenheid van 't hele bestaan, die mij als kind onbewust zo gelukkig deden zijn, dat alles was weer om mij heen. Ik was weer tussen mensen, elk uur van de dag bereid, een kalm en wijs gesprek te voeren, de wetenschap was weer beperkt tot de dorpsdokter en de onderwijzer en wat de kunst betreft: vijftien mijlen in omtrek wist ik precies waar een piano stond. Bij een bakker in de Grote Straat, wiens geslacht betere dagen had gekend, hingen twee schilderijen van Spohler en op de Oosterhof, het plaatselijke kasteel, was nog een portret van Prins Maurits uit de tijd, gedichten werden alleen gemaakt met Sinterklaas of als advertentie in het wekelijkse blaadje.
    Ik had een baantje op 't gemeentehuis, een gemakkelijk baantje. Behalve dat het mij voor minachting behoedde gaf het nog een klein salaris. Dit belette mij niet het ouderlijk huis aan de Grote Straat te bewonen met een grote kelder en een grote zolder, de grote lindebomen en de grote tuin. De boemerang was volkomen. Ja, ik sliep zelfs weer in het zolderkamertje waar ik als knaap en later als jongeling in de lange vakanties geslapen had, het hoogste kamertje in de straat met over de huizen heen, alleen de kerk er tegenover. Als ik mijn handen waste, als ik me inzeepte, als ik mijn broeken aantrok, altijd keek ik over de huizen heen, naar de kerk, naar de boomtoppen en naar het grote stuk lucht.
    Als jongen was dat met een gevoel van: ha, daar, hoog en ver, liggen de jachtvelden van mijn leven, wolken en sterren benaderen in plaats van steentjes oprapen van 't pad. Nu, na mijn terugkomst meer omdat het zo aangenaam was voor de ogen.

Rijssen, op 'de Wiejerd'
Boerderij 'Het Oude Veerhuis', Rijssen
Dorpsstraat
 
De Oosterhof

terug

 

10. Hellendoorn / Nijverdal

Hoewel je tijdens een verblijf in Hellendoorn menig avontuur kunt beleven, denk je bij dit stadje liever aan het nabijgelegen voormalig sanatorium waar Adriaan Morriën in de loop van 1933 naartoe werd gebracht, blijkens de 'Chronologie' in zijn egotistische geschrift Plantage Muidergracht (1988): 'Begin juli met mijn ouders in een huurauto met chauffeur naar het Volkssanatorium voor borstlijders te Hellendoorn, Overijssel. Het wisselende landschap van Nederland in de breedte. De aanblik van het groene gras (wanneer was het ooit zo groen?) veroorzaakt een mystieke explosie in mijn levensgevoel. Waarom zijn dominees niet sprakeloos (zonder het dan onmiddellijk rond te bazuinen)? 's Middags tijdens het rustuur aankomst in het sanatorium, een langwerpig samengesteld wit gebouw op de heuvel, wel degelijk door pijnbomen omringd'. Deze achtergrond maakt Morriëns gedicht 'Sneeuw in Overijssel', opgenomen in zijn Verzamelde gedichten (1992) des te aangrijpender:

Vanmorgen lag de sneeuw op de velden
wit en blinkend in de nieuwe zon.
Ik wilde niet dat iemand mij vergezelde,
ik wilde alleen zijn met sneeuw en zon.

Ik daalde de heuvel af naar het oosten
waar het dorp met de straat langs de einder ligt.
Ik had niemand nodig om mij te troosten.
ik was zo vrolijk, zo sneeuwvloklicht.

Ik liet mijn blik langs de helling waaien
en bliksemsnel stuiven tot aan de kim,
de blinkende haan op de kerktoren aaien,
de fietsende boeren haalde ik in.

Toen ging ik het bos door, de donkere bomen
stonden besneeuwd en onwillig vermomd,
als was hun het vroegere luidzijn ontnomen
en zachter gestemd en bijna verstomd.

`De wind woei er licht en nauwelijks bevroren,
de sneeuw lag nog vers en onontdooid.
Ik kon als ik stilstond het kraken horen
van 't bos, dat ik nimmer tevoren
zo somber gezien had en zo vermooid.

Een spar hield zijn mantel voorover gebogen
en luisterde gulzig opzij van de weg,
ik keek naar een berk als in vreemde ogen,
een sneeuwvacht viel zuchtend van de heg.

Nu was het doodstil en dan woei door de hoge
boomtoppen trillend de schuwe wind,
een zwarte vogel zeilde op onbewogen
vleugels en schreeuwde ineens, hees, ontzind.

Diep onder de dennen, vreemd bleek en bevroren,
lag een smalle strook zonlicht op de sneeuw,
als achtergebleven, voor altijd verloren,
een honger, een loerend stuk licht, een doodstille schreeuw.

Ik durfde mij bijna niet bewegen,
ik voelde de pijn van de witte sneeuw,
een kuisheid te zuiver en groot voor dit leven,
een trots zo eenzaam als zonlicht op sneeuw.

terug

 

11. Wierden / Enter

Onder de titel Enter is dit dorp vereeuwigd in een korte film die romancier Arthur Japin heeft gemaakt, althans op papier. Deze uit vijftien hoofdstukjes bestaande literaire synopsis begint met de volgende scène:

Haar adem is zichtbaar in de kou. Zij loopt door een kaal bos. Er hangt mist. Haar klompen schoppen tegen bladeren.
    Bij een berk blijft de jonge vrouw staan en stroopt haar mouwen op. Ze heft een bijl, maar op het moment dat ze hem wil neerlaten hoort ze iets. Vleugels fladderen. Ze kijkt omhoog. Tussen de lege takken is niets te zien. Zij hakt en splijt de bast.
    Ze bundelt het gehakte hout, loopt naar een oude eik en zet haar bijl er in. Hij blijft vast zitten. Het handvat trilt na. Haar gezicht is tot het uiterste gespannen. Ze spuugt in haar handen en trekt het ijzer uit de boom die ze met geen mogelijkheid zal kunnen vellen. Ze draait zich om en lijkt het op te geven. Dan sluit ze haar ogen, bijt op haar lip en hakt blindelings op de woudreus in. Haar neus loopt van de kou. Haar wangen lopen rood aan.

 terug

12. Twenterand

Denk je aan Vriezenveen en de afgegraven gronden die achter deze negorij zich uitstrekken, dan doemt het onuitwisbare beeld van de desolate veendorpen voor jouw geestesoog op. Met name de 'streekromancier' Aar van de Werfhorst heeft het leven van alledag in het gebied ten oosten van de Lemelerberg vaak indringend beschreven, bij voorbeeld in De winterkraaien (1945):

Het veld lag wijd en zijd verlaten. De winterkraaien trokken weer naar hun woonsteden toe. Een ploeg van zeven mannen, die hadden gewerkt de gehele dag.
    Winterkraaien werden ze genoemd, omdat ze telkenjare terug kwamen in de herfst, als de turf al uit het veld gehaald was. Ze staken dan van het veen de bovenste, onbruikbare laag af, zo de bruine brand vrijmakend, die eronder zat. Ze trokken, zware, vochtige bonken uit het veld; daarom werden ze ook wel de bonkers genoemd.
    Winterkraaien noemde het volk ze óók, omdat ze op grote vogels geleken, wanneer ze 's avonds huiswaarts keerden, voor de lage lucht, twee stobben meetorsend, die ze bij hun werk in de bruine aarde gevonden hadden. Ze droegen de boomwortels dan zo, dat één voor op hun borst hing en de andere op hun gebogen rug. Dat maakte, dat ze nog meer aan de grauwe vogels herinnerden.
    De stilte van het wijde land was zó groot, dat het geluid, dat hun kleine gaan maakte, verloren ging in de ruimte. Hun zwijgende tocht door het troosteloze land, zo alsof daar levend gewordene bonken aarde bewogen, was onuitsprekelijk weemoedig. Het was, alsof iemand een lied zong, waarvan men de melodie niet hoorde, maar alleen de beelden zag. En het viel zwaar die beelden te duiden. De zin er van kon men niet vatten.

terug 

13. Tubbergen

De omgeving van deze gemeente ligt bezaaid met grafvelden. Bij een opgraving in een van die grafheuvels bleek uit de verkleuringen van het zand dat daar een mens was begraven: de Man van Mander. Een verteerd skelet. Volgens de archeologen waren zijn benen afgehakt. Waarschijnlijk vreesden de nabestaanden dat de dode weer zou opstaan en de levenden mee zou nemen naar het dodenrijk. Het silhouet dat van deze mens uit de bronstijd was overgebleven, lag jarenlang in het Rijksmuseum Twenthe te wachten op bewonderende ogen. Willem Wilmink wijdde een gedicht aan 'De Man van Mander', louter bestaande uit vragen:

Wat wij weten van de Oertijd
valt niet mee:
was er al een voertijd
voor het vee?

Was die lange man van Mander,
die twee meter mat,
langer dan een ander?
Sprak hij plat?

Ging hij wel eens ver uit rijden
door het veen?
Was hij met z'n beiden
of alleen?

Was hij egger? Was hij ploeger?
Hooide hij het gras?
Zei hij al dat vroeger
alles beter was?

terug 

14. Dinkelland

Ga je in deze gemeente aanvankelijk op zoek naar De vuurspuger van Ootmarsum (1990), afgebeeld op het omslag van een boek met schilderijen van Jan Mulder, later zoek je liever de verstilde omgeving van de Sint Nicolaasstichting, een klooster nabij Denekamp waaraan Stephan Sanders de volgende herinneringen heeft opgetekend:

Ook toen al, meer dan vijfentwintig jaar geleden, was het een statig, kaarsrecht laantje dat voerde naar een stenen trap, een bel die schalde door een marmeren hal, een verlegen non die opendeed en uiteindelijk naar de kleine maar kaarsrechte en statige zuster Judith. Zij sprak met een licht Duits accent, behalve wanneer zij musiceerde, dat deed ze accentloos. Ik kan me niet herinneren haar ooit over God te hebben gehoord, maar des te meer over Telemann, Purcell, Hotteterre le Romain en Bach natuurlijk, de god waar ze mij toe bekeerde.
    De weg naar haar toe was lang en mijn fiets klein: ik was buiten adem wanneer ik bij haar arriveerde, en eigenlijk ben ik dat altijd gebleven, zo lang ik bij haar kwam, omdat zij iets deed wat tot het onmogelijke behoort. Ze wist de blokfluitles, die verplichte jeugdsof, om te toveren tot iets waar ik naar uitkeek. Ze bracht me liefde voor oude muziek bij, voor de bewerkelijke, barokke trillers die te gecompliceerd leken voor kinderhanden, voor de klank van het hout, die zo nauw luistert. Later, toen de blokfluit werd verruild voor een altfluit, een basfluit en een flauto traverso, werd zij kortademig, en moest de lessen beëindigen.
    Buiten adem zijn, buiten jezelf, vervoerd raken - ze deed me voor hoe dat ging, zonder bijsmaak van hysterie.
    Ik leerde andere extases kennen, die zij waarschijnlijk nooit geproefd heeft. Maar dat was later.
    Toen fietste ik nog terug, de lange laan door, de weilanden die langzaam weken voor een buitenwijk: luid zingend, trillers met de tong, handen over het stuur voor de maat, hoofd in de wolken, hijgend thuis.
    Tegenwind, begrijp je.

St. Nicolaasstichting
St. Nicolaasstichting interieur

terug

 

15. Oldenzaal

Je ziet 'm al van verre: de Plechelmus, de van 954 daterende basiliek met haar 61 meter hoge kerktoren in het hart van Oldenzaal. Een uitroepteken dat zowel godvruchtigen als andersdenkenden de weg wijst. De 'Oldn Griezn'. Niet alleen het middelpunt van Oldenzaal, maar misschien wel van heel Twente. De 'volksdichter' Wilmink schreef er in ''t stadsplat' de volgende versregels bij:

Oatmörsken hef zien mooie pleintje
en Ossel ziene Stenderkas.
In Hoksebargn doar spölt ze treintje
en Buurse hef zien Bommelas.
En zoo is oavera wa wat,
meer t mooiste hef de Boeskoolstad'

Juweel van Tweante. Oaldn Griezn.
Ik heb oe a keand as klean keend.
Iej zölt de leu de weg nog wiezn
as wiej der a lang nich meer bint.

Iej hebt Bomn Beernd nog metmaakt,
Napoleon en Hutn Kloas,
iej bint oewn oaldn kop nich kwietraakt
in al t gedoonder en geroas.
Al oew bezetters bi'j weer kwiet,
iej beiert weer in vredestied'

Juweel van Tweante. Oaldn Griezn.
Ik heb oe a keand as klean keend.
Iej zölt de lweu de weg nog wiezn
as wiej der a lang nich meer bint.

Weemenweg
St. Plechelmuskerk

terug

 

16. Losser

Bij Losser tenslotte wil je aanvankelijk niets te binnen schieten. En je komt niet eens uit Losser. Gelukkig vind je in de diepste krochten van je geest nog een literaire plek tussen Enschede en Losser: Penninckskotten en de drie seizoenen anno 1971 die de schrijver Jean-Paul Franssens in een blokhut daar heeft doorgebracht. Dat was niet niks, getuige zijn overleveringen in de bundels Ware liefde (1994) en Zuiderkerkhof 1 (1997):

Ik was een jaar of twee-, drieëntwintig en dermate 'door het leven geslagen', dat ik niets meer met deze wereld te maken wilde hebben. Dus sloot ik me op in een blokhut in een Twents Onheilsbos vlakbij de Duitse grens. Op de natte, gure zomer volgde een nog nattere en somberdere herfst. Klam en koud was het in die hut waar ik vaak met natte ogen rondliep en niet alleen uit zelfmedelijden, maar ook omdat de schoorsteen door een verkeerd gevallen vogelnestje niet wilde trekken. De winter werd de koudste sinds 1856. Het mag een wonder heten dat ik er niet ben doodgevroren. In mijn ellende kocht ik op een boerenjaarmarkt een tweedehands elektrische deken, waaronder misschien wel een katholieke boerin met astma en been-eczeem haar laatste adem had uitgeblazen.

Losserse Zand

 

 

17. Twente

Teruggekeerd in de Kasbah bezie je de tocht die je hebt afgelegd. Je hebt een hele reeks literaire beschrijvingen van plekken in de Proeftuin Twente gevonden. Locaties die ondanks hun literaire invulling hopelijk open plekken zijn gebleven. Heb je nu de meest geslaagde beschrijvingen van aansprekende plekken in de Proeftuin Twente gevonden,- of is er misschien een nog mooiere tekst over het hoofd gezien?
    Wat te denken van het prozagedicht dat de dichter en romancier Marc Reugebrink heeft geschreven over een plek die overal en nergens in de Proeftuin Twente is te vinden. Het heeft betrekking op een veranderlijk kenmerk van het Twentse landschap. De coulissen. Dit is het:

Soms kun je je, als je dat wilt, dit landschap zo te binnen brengen dat het wordt wat het altijd was: nooit deze weide waar je bent tussen koeien en gras, nooit die bosrand waar je staat tussen beuken - de rode -, tussen het blauw en het groen van de spar, nooit de hemel waaronder.

Het is dag of is nacht en altijd hoogzomer. Het vee in de schaduw onder de bomen, bij het schijnwerperlicht van een zoveel watts maan of een zon, hoest en herkauwt naar behoren.

En er kome wat kome: achter het rietgordijn, tussen neerhangende sluiers van bomen, in dit haast muisstil geritsel terzijde, word ik, als ik dat wil, wat ik altijd al was: nooit deze weide, de koeien, het gras, nooit het rode van beuken ,het groen van een spar, nooit het bedrieglijk echt blauw of inktzwart van een hemel.

Het is dag, het is nacht, het is altijd hoogzomer.

 

Met dit prozagedicht van Reugebrink in de hand loop je naar buiten. Het landschap in. Het zandpad af. Is dit decorlandschap, zoals Brakman heeft geschreven, overwegend dienend op de achtergrond aanwezig met mooie bomen, boeiende bosranden en vriendelijke paden? Je kijkt om je heen, je stopt op het mooist denkbare punt en leest het gedicht aan het landschap voor. Verwaaiend stemgeluid. Overal en nergens. Vervolgens verdwijn je achter een van de coulissen die je zojuist nog hebt bezongen.

 

J. Heymans

 


naar boven